Conclusie A-G Pauwels 24 november 2023, ECLI:NL:PHR:2023:1069
Art. 17(3) Wet WOZ. Gecorrigeerde vervangingswaarde. Bedrijfswaarde. Kasstromen gebruiker relevant bij bepaling bedrijfswaarde op basis van DCF-methode indien onroerende zaak in gebruik is bij ander dan de eigenaar? Bewijslastverdeling. Hoe past HR BNB 2002/375 binnen de drietrapsraket van het Oostflakkee-arrest? De heffingsambtenaar heeft voor 2018 en 2019 de WOZ-waarde voor een golfcomplex vastgesteld op basis van de gecorrigeerde vervangingswaarde (GVW). Belanghebbende – de eigenaar – stelt dat de GVW te hoog is vastgesteld omdat de bedrijfswaarde lager is, gelet op de door haar ingebrachte discounted cashflow (DCF) berekeningen. Die berekeningen zijn mede gebaseerd op kasstromen van de gebruiker, zijnde een v.o.f. waarvan twee dochtervennootschappen van belanghebbende de vennoten zijn. Het Hof oordeelt dat belanghebbende niet in op de haar rustende bewijslast is geslaagd omdat de DCF-berekeningen mede zijn gebaseerd is op de kasstromen van de gebruiker. Omdat belanghebbende overigens niets tegen de onderbouwing door de heffingsambtenaar heeft ingebracht, kunnen de vastgestelde waarden worden gevolgd. A-G Pauwels meent, gelet op het Veendam-arrest en het Ahoy-arrest, dat het Hof terecht tot uitgangspunt heeft genomen dat de bedrijfswaarde moet worden bepaald vanuit het perspectief van de eigenaar. Dit brengt mee dat de kasstromen van de gebruiker niet in aanmerking mogen worden genomen bij de DCF-berekening om de bedrijfswaarde te onderbouwen. Dat wordt niet anders door de omstandigheid dat de exploitatieresultaten van de gebruiker belanghebbende (indirect) aangaan in de hoedanigheid van aandeelhouder. In verband met de klacht over de bewijslastverdeling gaat de A-G in op de vraag hoe HR BNB 2002/375 zich verhoudt tot de drietrapsraket van het Oostflakkee-arrest. Volgens de A-G is HR BNB 2002/375 in te passen in de drietrapsraket overeenkomstig HR BNB 2015/214. Het oordeel van het Hof over de DCF-berekeningen getuigt niet van een onjuiste verdeling van de stelplicht en bewijslast. Dat geldt ook voor het uiteindelijke oordeel van het Hof. Weliswaar heeft het Hof niet expliciet een bewijsoordeel over de onderbouwing door de heffingsambtenaar, maar dat houdt ermee verband dat belanghebbende de elementen van de onderbouwing (overigens) niet heeft betwist. De A-G meent het cassatieberoep ongegrond is.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- Conclusie A-G Pauwels 20 oktober 2023, ECLI:NL:PHR:2023:942
- Conclusie A-G Pauwels 20 oktober 2023, ECLI:NL:PHR:2023:943
- Conclusie A-G Pauwels 20 oktober 2023, ECLI:NL:PHR:2023:979
- Conclusie A-G Pauwels 22 september 2023, ECLI:NL:PHR:2023:831
- Conclusie A-G Pauwels 22 september 2023, ECLI:NL:PHR:2023:832
- Conclusie A-G Pauwels 22 september 2023, ECLI:NL:PHR:2023:873
- Hof Arnhem-Leeuwarden 30 augustus 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:7510
- Rb. Midden-Nederland 20 juli 2021, ECLI:NL:RBMNE:2021:3663
- HR 23 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1671
- Hof Amsterdam 28 januari 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:147
- Hof 's-Hertogenbosch 7 februari 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:454
- Hof 's-Hertogenbosch 31 januari 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:376
- Hof Arnhem-Leeuwarden 30 oktober 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:9442
- HR 17 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:443
- HR 10 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1776
- Rb. Gelderland 22 juli 2014, ECLI:NL:RBGEL:2014:4463
- Hof 's-Hertogenbosch 7 november 2013, ECLI:NL:GHSHE:2013:5248
- Hof 's-Gravenhage 31 juli 2012, ECLI:NL:GHSGR:2012:BY8367
- Hof 's-Hertogenbosch 15 juni 2012, ECLI:NL:GHSHE:2012:BW9025
- HR 8 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ0421