Conclusie A-G Pauwels 22 september 2023, ECLI:NL:PHR:2023:831
Art. 8:69a Awb. Art. 17 en 24(3) Wet WOZ. Procesbelang. Relativiteitsvereiste. Reikwijdte HR BNB 2020/66? Heroverweging HR BNB 2020/66? Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen een op zijn naam gestelde WOZ-beschikking ter zake van een woning die hij huurt. Het Hof heeft geoordeeld dat het beroep ongegrond is, gelet op het relativiteitsvereiste neergelegd in art. 8:69a Awb. Omdat belanghebbende geen ‘direct financieel gevolg’ ondervindt bij een wijziging van de vastgestelde WOZ-waarde, strekt art. 17 Wet WOZ niet tot bescherming van zijn belang. A-G Pauwels gaat in een bijlage ECLI:NL:PHR:2023:873 bij zijn conclusie op deze kwestie in. De A-G is van mening dat het Hof is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting. Gelet op HR BNB 2020/66 moet worden aangenomen dat een persoon die een op zijn naam gestelde WOZ-beschikking heeft gekregen, belang heeft bij de daarin vastgestelde WOZ-waarde. Gelet op die aanname kan niet worden geoordeeld dat art. 17 Wet WOZ niet strekt tot bescherming van het belang van zo’n persoon. De A-G geeft een nabeschouwing, die erin uitmondt dat hij de Hoge Raad in overweging geeft om HR BNB 2020/66 te heroverwegen wat betreft het procesbelang in zaken waar de betrokkene geen belang heeft bij de WOZ-waarde (point d’intérêt, point d’action). Indien de zaak verwezen wordt, hoeft volgens de A-G geen bespreking de klacht dat het Hof niet heeft beoordeeld of de eigenaar/verhuurder op grond van art. 8:26 Awb had moeten worden uitgenodigd aan het geding deel te nemen. Indien het oordeel van het Hof over art. 8:69a Awb in cassatie stand houdt, faalt de klacht omdat er geen aanleiding is om de eigenaar/verhuurder in de gelegenheid te stellen als partij aan het geding deel te nemen indien het relativiteitsvereiste toepassing vindt.
De uitspraak op rechtspraak.nl