Conclusie A-G IJzerman 28 februari 2022, ECLI:NL:PHR:2022:195
A-G IJzerman heeft conclusie genomen inzake de belastingaanslagen opgelegd aan belanghebbende, een geliquideerde Curaçaose NV. Was duidelijk namens welke belanghebbende bezwaar en beroep is ingesteld? Wat is de ingangsdatum van de door de Inspecteur verbeurde dwangsommen wegens niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar? Het betreft het beroep van de Staatssecretaris tegen de uitspraken van Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 17 november 2020, nrs. 17/01172 t/m 17/01186, ECLI:NL:GHARL:2020:9535, en samenhang. Belanghebbende is in 2004 opgericht als NV naar het recht van Curaçao. In 2014 zijn de activiteiten van belanghebbende verkocht. Na in liquidatie te zijn getreden is belanghebbende opgehouden te bestaan, wegens een door de vereffenaar vastgesteld gebrek aan baten. De Inspecteur heeft belanghebbende bij brief aan de voormalige vereffenaar, zijn vermoeden kenbaar gemaakt dat belanghebbende mogelijk belastingplichtig is (geweest) voor de Nederlandse vennootschapsbelasting, omzetbelasting en kansspelbelasting. Nadat niet tijdig aan de informatieverzoeken van de Inspecteur was voldaan, heeft de Inspecteur aan belanghebbende belastingaanslagen opgelegd en heeft voor die belastingaanslagen informatiebeschikkingen vastgesteld. Na vergeefs bezwaar heeft de Rechtbank belanghebbende in het gelijk gesteld, daarin gevolgd door het Hof. Dit heeft in de onderhavige zaak betreffende de belastingaanslagen overwogen dat belanghebbende was opgehouden te bestaan op het moment van het opleggen van de belastingaanslagen en dat belanghebbende bezwaren en beroepen heeft ingesteld, terwijl aan de hoedanigheid van de indiener van de bezwaren en beroepen niet behoeft te worden getwijfeld. Het Hof heeft de aan belanghebbende opgelegde aanslagen en informatiebeschikkingen vernietigd. Tevens heeft het Hof geoordeeld dat de Inspecteur de bezwaarbeslistermijn heeft laten verstrijken waardoor dwangsommen zijn verbeurd. De Staatssecretaris is tegen de Hofuitspraken opgekomen in cassatie onder aanvoering van vier middelen. Voor de beoordeling van de middelen I en IV die door de Staatssecretaris ook zijn voorgesteld (als middel I en II) in het beroep in cassatie in de zaak met nummer 20/04297, verwijst de A-G naar zijn beoordeling, als ongegrond, in die andere zaak. In het tweede middel wordt erover geklaagd dat het Hof de bezwaren en beroepen tegen de belastingaanslagen ontvankelijk heeft verklaard. Gesteld wordt dat omdat sprake is van fictieve weigering en het beroep wordt ingesteld door anderen dan de degene die het bezwaar heeft ingediend, het beroep niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard. Het Hof heeft geoordeeld dat conform het arrest van 19 september 2003 rechtsgeldig bezwaar is gemaakt door belanghebbende, ofschoon belanghebbende ten tijde van het opleggen van de belastingaanslagen naar Curaçaos recht reeds was opgehouden te bestaan. Dienaangaande merkt de A-G op dat het weliswaar juist is dat de Hoge Raad zich in dat arrest enkel heeft uitgelaten over de ontvankelijkheid van een bezwaar in het geval van een voorliggende situatie waarin een belastingaanslag ten name van een niet meer bestaande rechtspersoon is opgelegd, maar de A-G ziet niet in waarom de benadering in dit arrest niet ook zou moeten gelden als het gaat om het instellen van beroep. Uit het systeem van de Awb volgt immers dat na bezwaar beroep kan volgen, zodat ook ten aanzien van de beroepsmogelijkheid moet gelden dat op naam van een niet meer bestaande rechtspersoon beroep kan worden ingesteld. Het komt de A-G verder voor dat de regel uit voornoemd arrest ook voor andere besluiten dan belastingaanslagen - daaronder begrepen het niet (tijdig) doen van uitspraak op bezwaar tegen een besluit - geldt. Daar speelt namelijk de gelijke ratio van het bieden van fiscale rechtsbescherming. Verder leidt de A-G uit ’s Hofs feitenvaststellingen af dat binnen de bezwaartermijn namens belanghebbende bezwaar is gemaakt tegen de belastingaanslagen. Aldus faalt het tweede middel. Naar aanleiding van het derde middel, dat ook faalt, merkt de A-G op dat het Hof heeft overwogen dat de Inspecteur aan de gemachtigde heeft bericht dat de namens belanghebbende ingediende bezwaarschriften in behandeling zullen worden genomen, onder vermelding van een beslistermijn voor het doen van uitspraak op bezwaar tot 27 februari 2017. Uitgaande van deze duidelijke mededelingen acht de A-G hiermee de ingangsdatum gegeven voor de door de Inspecteur verbeurde dwangsommen wegens niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van de Staatssecretaris ongegrond dient te worden verklaard.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- Conclusie A-G Wesseling-van Gent 24 december 2021, ECLI:NL:PHR:2021:1238
- Hof Arnhem-Leeuwarden 17 november 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:9535
- Hof Arnhem-Leeuwarden 17 november 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:9537
- Hof Arnhem-Leeuwarden 17 november 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:9539
- Hof Arnhem-Leeuwarden 17 november 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:9541
- Rb. Gelderland 25 oktober 2017, ECLI:NL:RBGEL:2017:5455
- Rb. Gelderland 25 oktober 2017, ECLI:NL:RBGEL:2017:5456
- Rb. Gelderland 25 oktober 2017, ECLI:NL:RBGEL:2017:5457
- Rb. Gelderland 25 oktober 2017, ECLI:NL:RBGEL:2017:5458
- HR 15 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2350
- HR 7 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1234
- HR 25 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:485
- HR 26 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2779
- HR 19 september 2003, ECLI:NL:HR:2003:AK8288
- HR 20 oktober 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC5484