Conclusie A-G IJzerman 16 augustus 2022, ECLI:NL:PHR:2022:756
A-G IJzerman heeft conclusie genomen over de weigering van de Inspecteur om alsnog de door de Rechtbank opgedragen uitspraak op bezwaar te doen en over de berekening van de vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn van de berechting in eerste aanleg. Het betreft het beroep in cassatie van belanghebbende tegen de uitspraak van Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 29 juni 2022, nr. 21/04266, ECLI:NL:GHARL:2021:8438. Belanghebbende is in 2000 opgericht en hield zich bezig met het in dienst nemen en uitlenen van automatiseringspersoneel. Naar aanleiding van de uitkomsten van een FIOD onderzoek heeft de Inspecteur in 2004 aan belanghebbende een naheffingsaanslag loonbelasting/premies volksverzekeringen opgelegd met een vergrijpboete en heffingsrente. Belanghebbendes bezwaar daartegen is ongegrond verklaard. In 2005 is belanghebbende in staat van faillissement verklaard. In 2006 is het faillissement van belanghebbende opgeheven wegens de toestand van de boedel (gebrek aan baten). In 2008 heeft Hof ’s-Hertogenbosch de voormalige directeur van belanghebbende strafrechtelijk veroordeeld wegens het medeplegen van opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij Rechtbank Arnhem. Deze heeft in 2009 de uitspraak op bezwaar vernietigd wegens schending van de hoorplicht en heeft de zaak teruggewezen naar de Inspecteur om opnieuw op het bezwaar te beslissen na belanghebbende te hebben gehoord. Daarbij is de Inspecteur veroordeeld in de kosten ten bedrage van totaal € 759. Daarop heeft de zaak lange tijd stil gelegen. In 2019 heeft Rechtbank Midden-Nederland de vereffening van belanghebbende op verzoek van de echtgenote van de voormalige directeur van belanghebbende heropend, met benoeming van de echtgenote tot vereffenaar. Belanghebbende heeft vervolgens de Inspecteur verzocht om alsnog uitspraak op bezwaar te doen, maar de Inspecteur heeft dat geweigerd om reden dat het verzoek daartoe onredelijk laat is ingediend. Na beroep bij Rechtbank Gelderland op de voet van artikel 6:12 van de Algemene wet bestuursrecht is belanghebbende in hoger beroep gekomen bij het Hof. Dit ziet in de heropening van de vereffening geen weg om de rechtmatigheid van de naheffingsaanslag alsnog te laten beoordelen door de fiscale bestuursrechter. Aan die beoordeling wordt niet toegekomen. Het Hof ziet geen reden om de Inspecteur te verplichten om alsnog uitspraak op bezwaar te doen, noch voor een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn van berechting. Naar aanleiding van het eerste middel van belanghebbende merkt de A-G het volgende op. Ten eerste heeft de uitspraak op bezwaar processueel ten doel voor de belanghebbende de weg te openen naar beoordeling van zijn zaak door de onafhankelijke rechter, door beroep in te stellen tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur. Het niet doen van uitspraak op bezwaar staat op gespannen voet met dit stelsel van rechtsbescherming, zodat een inspecteur voor een weigering om uitspraak te doen werkelijk goede redenen moet hebben. De A-G betwijfelt echter of die er in casu zijn. Ten tweede geldt dat als een inspecteur, zoals hier wordt gesteld, van mening is dat een belanghebbende geen belang heeft bij een inhoudelijke uitspraak op bezwaar, de uitspraak moet strekken tot niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar. Dat is dus iets anders dan weigeren om uitspraak te doen. Ten derde is het niet aan de belastingrechter om zich in het kader van de beoordeling van de onderhavige naheffingsaanslag te begeven in de vraag of de heropening van de vereffening van de boedel van de gefailleerde belanghebbende terecht is. Over de heropening heeft de burgerlijke rechter al het laatste woord gehad. De A-G is van mening dat de Inspecteur gehouden is alsnog uitspraak op bezwaar te doen. In dat kader merkt de A-G op dat daarbij ook dient te worden betrokken het verzoek van belanghebbende om toekenning van schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Tevens wijst de A-G erop dat een eventuele vernietiging van de naheffingsaanslag van betekenis kan zijn in het kader van een verzoek tot herziening van de strafrechtelijke veroordeling van de voormalige directeur van belanghebbende. Naar aanleiding van het tweede middel van belanghebbende geeft de A-G een eigen berekening van de, gezien de complicaties van deze procedure, aan belanghebbende toe te kennen immateriële schadevergoeding. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende gegrond dient te worden verklaard.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
- Artikel 236 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 457 Sv
- Artikel 539 Sv
- Artikel 25 AWR
- Artikel 2:19 BW2
- Artikel 2:23b BW2
- Artikel 2:23c BW2
- Artikel 2:309 BW2
- Artikel 34 IW
- Artikel 55 IW
- Artikel 6:10 BW6
- Artikel 6:106 BW6
- Artikel 4:104 Awb
- Artikel 5:35 Awb
- Artikel 6:2 Awb
- Artikel 6:10 Awb
- Artikel 6:12 Awb
- Artikel 4 Wp
- Artikel 6 EVRM
Aangehaalde uitspraken
- Hof Den Haag 2 maart 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:312
- Conclusie A-G IJzerman 28 februari 2022, ECLI:NL:PHR:2022:195
- Hof Arnhem-Leeuwarden 7 september 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:8438
- CRvB 26 mei 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1265
- Rb. Gelderland 17 september 2020, ECLI:NL:RBGEL:2020:4771
- CRvB 8 april 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:887
- HR 22 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1818
- CBb 16 april 2019, ECLI:NL:CBB:2019:154
- CBb 19 maart 2018, ECLI:NL:CBB:2018:121
- HR 2 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:965
- HR 12 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:844
- HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252
- HR 17 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2981
- HR 11 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:878
- ABRvS 10 juli 2013, ECLI:NL:RVS:2013:206
- HR 16 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY2770
- HR 23 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV0655
- Conclusie A-G IJZERMAN 23 maart 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BV0655
- CBb 19 januari 2012, ECLI:NL:CBB:2012:BV2037
- HR 7 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT6841