Conclusie A-G IJzerman 23 februari 2022, ECLI:NL:PHR:2022:178
A-G IJzerman heeft conclusie genomen over de vraag of de Ontvanger bij beschikking van 22 november 2016 belanghebbende als bestuurder van een Antilliaanse NV aansprakelijk kon stellen voor onbetaald gebleven aanslagen winstbelasting 2007 en 2008. Moeten ten tijde van de aansprakelijkstelling niet-betaalde, opeisbare aanslagen zijn opgelegd? Overgangsrecht. Andere crediteuren eerder betalen dan de Ontvanger. Disculpatie mogelijkheden. Het betreft het beroep in cassatie van belanghebbende tegen de uitspraak van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba van 17 maart 2020, nr. AUA2019H00122, ECLI:NL:OGHACMB:2020:51. Belanghebbende is van 15 april 2014 tot 24 juni 2015 directeur geweest van de NV. Aan de NV zijn in 2013 en 2014 aanslagen opgelegd in de winstbelasting over 2007 en 2008. Die zijn (grotendeels) onbetaald gebleven. De NV heeft bezwaar gemaakt tegen de aanslagen en verzocht om uitstel van betaling. Bij beschikking van 22 november 2016 heeft de Ontvanger belanghebbende als gewezen bestuurder aansprakelijk gesteld voor de onbetaald gebleven aanslagen winstbelasting van de NV. Het Gemeenschappelijk Hof heeft, anders dan eerder het Gerecht, geoordeeld dat hoofdelijke aansprakelijkheid niet eerst kan ontstaan nadat de belastingschuld is geformaliseerd in een belastingaanslag. Naar het oordeel van het Gemeenschappelijk Hof volgt uit artikel 16 van de Landsverordening op de winstbelasting 1940 dat een hoofdelijke aansprakelijkheid voor de door de vennootschap verschuldigde winstbelasting reeds kan ontstaan op het moment dat het desbetreffende boekjaar (waarover de winstbelasting wordt geheven) van de vennootschap ten einde loopt. Dat brengt met zich mee dat de Ontvanger belanghebbende op goede gronden hoofdelijk aansprakelijk heeft kunnen stellen voor de (voorlopige) winstbelastingschulden van de NV voor de jaren 2007 en 2008, ook al zouden er ten tijde van de aansprakelijkstelling geen niet-betaalde, opeisbare aanslagen zijn. Het Gemeenschappelijk Hof heeft vervolgens belanghebbendes beroep op disculpatie verworpen, door te overwegen dat gelet op het aanvankelijk nog aanwezige kassaldo en het nalaten daaruit bij voorrang de Ontvanger te voldoen, een beroep op disculpatie niet kan slagen. Tegen die twee oordelen van het Gemeenschappelijk Hof zijn de klachten van belanghebbende gericht. Naar aanleiding van de eerste klacht komt de A-G tot een uitleg van het toepasselijke overgangsrecht. Daaruit volgt volgens de A-G dat belanghebbende als bestuurder alleen aansprakelijk kan worden gesteld voor een winstbelastingschuld van de NV die is geformaliseerd in een belastingaanslag. Bovendien moet de NV in gebreke zijn met de betaling op een of meer van de aan haar opgelegde aanslagen. Om die reden kan belanghebbende alleen op 22 november 2016 aansprakelijk worden gesteld als vaststaat dat de NV op dat moment in gebreke was met de betaling van bij aanslagen geformaliseerde belastingschulden. In zoverre treft de eerste klacht doel. De A-G meent dat zal moeten worden verwezen om alsnog te beoordelen of en in hoeverre uitstel van betaling was verleend, dan wel geacht moet worden te zijn verleend onder bestaand beleid ter zake. Met zijn tweede klacht komt belanghebbende op tegen het oordeel van het Gemeenschappelijk Hof dat belanghebbendes beroep op disculpatie niet slaagt, reeds omdat de NV niet bij voorrang de Ontvanger heeft betaald, maar wel bepaalde andere crediteuren. De A-G vindt die redengeving te kort door de bocht en daardoor onjuist. Het is zijns inziens niet zo dat een bestuurder een aanwezig kassaldo in de NV zonder meer in de eerste plaats moet benutten om de Ontvanger te voldoen. Het komt de A-G dan ook voor dat het Hof hier is uitgegaan van een onjuiste maatstaf. Volgens de A-G kan het onder omstandigheden redelijk zijn om, zoals in casu, de salarissen en huisvestingskosten te blijven doorbetalen teneinde de continuïteit van de onderneming te waarborgen. Nieuwe winsten kunnen dan worden gebruikt om ook de Ontvanger te voldoen. Aan een faillissement heeft deze veelal weinig. De A-G meent dat het Gemeenschappelijk Hof had moeten uitzoeken of belanghebbende al dan niet een (ernstig) verwijt treft omdat hij niet met voorrang de Ontvanger heeft voldaan, als te beoordelen in het licht van alle relevante omstandigheden. In dat kader wijst de A-G op wetsgeschiedenis en jurisprudentie over (on)behoorlijk bestuur en (on)mogelijkheid van disculpatie. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende gegrond dient te worden verklaard.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 17 maart 2020, ECLI:NL:OGHACMB:2020:51
- HR 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:576
- Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba 12 april 2019, ECLI:NL:OGEAA:2019:218
- Conclusie A-G IJzerman 19 april 2018, ECLI:NL:PHR:2018:427
- HR 30 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:470
- HR 31 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:530
- Conclusie A-G IJzerman 31 maart 2016, ECLI:NL:PHR:2016:204
- HR 6 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:522
- HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2628
- HR 7 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA2455
- Hof Arnhem 24 april 2012, ECLI:NL:GHARN:2012:BW6241
- HR 26 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK9654
- Raad van Beroep voor Belastingzaken (Nederlandse Antillen en Aruba) 3 september 2008, ECLI:NL:ORBBNAA:2008:BI3318
- HR 20 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC4959
- HR 8 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0758
- HR 12 juni 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2669
- HR 7 juni 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2096