Conclusie A-G IJzerman 29 november 2022, ECLI:NL:PHR:2022:1126
A-G IJzerman heeft conclusie genomen naar aanleiding van de prejudiciële vragen gesteld door het Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba over de fiscale gevolgen van de wijziging van de Arubaanse Landsverordening Grondbelasting per 1 januari 2019. Het gaat om het verzoek om een prejudiciële beslissing van het Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba van 4 februari 2022, nr. AUA202002936, ECLI:NL:OGEAA:2022:15. Heden wordt ook een afzonderlijke conclusie genomen in een reguliere cassatieprocedure (zaak 21/04088) waarin dezelfde problematiek aan de orde is. Belanghebbende is eigenaar van een perceel grond met daarop een opstal in Aruba. Bij de heffing van Arubaanse grondbelasting aangaande belanghebbende geldt het tijdvak 2017-2021. Uitgangspunt van de heffingssystematiek van de Landsverordening grondbelasting is dat de waarde van de grond wordt vastgesteld voor de komende vijf jaar, per jaar wordt dienovereenkomstig een aanslag opgelegd. Het systeem behelst dat bij het begin al vijf aanslagen worden vastgesteld en opgeborgen in de legger. Per jaar volgt dan uitreiking en daarmee oplegging. In dit systeem is de jaarlijkse aanslag elk jaar gelijk gedurende vijf jaren. Een wetswijziging in de grondbelasting per 1 januari 2019 heeft ten gevolge gehad dat met ingang van die datum, dat wil zeggen gedurende het tijdvak 2017-2021, het belastingtarief van de grondbelasting voor belastingplichtigen niet zijnde natuurlijke personen, is verhoogd van 0,4% naar 0,6%. Bovendien is de belastingvrije waarde van Afl. 60.000 komen te vervallen. Aan belanghebbende is met dagtekening 31 mei 2019 een aanslag grondbelasting 2019 opgelegd, waarbij ter zake van de onroerende zaak uitgegaan is van een belastbare waarde van Afl. 2.777.047 en een tarief van 0,6%. Dit heeft geresulteerd in een te betalen bedrag van Afl. 16.662. Bij het Gerecht is in geschil of de per 1 januari 2019 ingevoerde wettelijke verhoging van het belastingtarief voor de grondbelasting en het tegelijkertijd laten vervallen van de belastingvrije waarde, gevolgen kan hebben voor de aanslagoplegging over 2019, omdat voornoemde wijzigingen belanghebbende met terugwerkende kracht raken. Het Gerecht heeft aan de Hoge Raad drie prejudiciële vragen voorgelegd. Die worden in deze conclusie door de A-G als volgt beantwoord. 1. Is de aanslag grondbelasting 2019 met dagtekening 31 mei 2019 aan te merken als een tweede aanslag over het boekjaar 2019? De A-G meent dat de Hoge Raad de eerste prejudiciële vraag nog niet kan beantwoorden, zolang niet is vastgesteld wat de aanslag over 2017 en de diverse vaststellingen in dat jaar inhouden. Het lijkt de A-G dat uitgaande van verwerking van de tariefsverhoging in 2019, een positieve beantwoording meer voor de hand ligt, aldus dat de aanslag grondbelasting over 2019 is aan te merken als een tweede belastingaanslag over het boekjaar 2019. Bij positieve beantwoording van de eerste vraag: 2. Kan ter zake van de per 1 januari 2019 ingevoerde wijziging van artikel 11 van de Landsverordening Grondbelasting een navorderingsaanslag worden opgelegd? De A-G meent dat noch door conversie van de aanslag over 2019 nog anderszins een dergelijke navorderingsaanslag kan worden opgelegd. Er namelijk vanuit gaande dat de aanslag grondbelasting voor het jaar 2017, het eerste jaar van het tijdvak 2017-2021, waarbij de waarde van de onroerende zaak is vastgesteld, is opgelegd conform voor een periode van vijf jaren, heeft de Inspecteur de aanslag naar het destijds geldende (oude) tarief opgelegd. Dan geldt volgens de A-G dat er op het moment van het opleggen van de aanslag met dagtekening 31 mei 2019 geen sprake was van een aanslag die naar een te laag bedrag is vastgesteld, zodat navordering niet mogelijk is. Bovendien ziet de A-G in de invoering van een wet met terugwerkende kracht geen nieuw feit, als vereist is voor navordering. Bij negatieve beantwoording van de eerste vraag of bij positieve beantwoording van de tweede vraag: 3. Vormt de wijziging van artikel 11 van de Landsverordening Grondbelasting op stelselniveau een onaanvaardbare inbreuk op artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM en is ze in strijd met artikel I.19 van de Staatsregeling? Indien kan worden toegekomen aan deze vraag, meent de A-G dat die bevestigend moet worden beantwoord. Uit de parlementaire geschiedenis van de wetswijziging kan namelijk worden geconcludeerd dat het niet is gekomen tot enige rechtvaardiging van wat voor belanghebbende neerkomt op een belastingverhoging met terugwerkende kracht.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
- Artikel 94 Gw
- Artikel 120 Gw
- Artikel 66 SW
- Artikel 5 AWR
- Artikel 11 AWR
- Artikel 16 AWR
- Artikel 27ga AWR
- Artikel 27ge AWR
- Artikel 6:10 Awb
- Artikel 8:69 Awb
- Artikel 38 Wfsv
- Artikel 95 Wfsv
- Artikel 96 Wfsv
- Artikel 97 Wfsv
- Artikel 2.13 Besluit Wfsv
- Artikel 1 Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden
Aangehaalde uitspraken
- Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba 4 februari 2022, ECLI:NL:OGEAA:2022:15
- HR 24 september 2021, ECLI:NL:HR:2021:1239
- Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 30 juli 2021, ECLI:NL:OGHACMB:2021:223
- HR 25 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1618
- HR 14 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:816
- HR 19 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:627
- EHRM 14 november 2017, ECLI:CE:ECHR:2017:1114DEC004618416
- Gerecht in eerste aanleg van Curaçao 6 september 2017, ECLI:NL:OGEAC:2017:121
- Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba 28 augustus 2017, ECLI:NL:OGEAA:2017:677
- HR 3 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:356
- Gerecht in eerste aanleg van Curaçao 7 september 2016, ECLI:NL:OGEAC:2016:79
- HR 29 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:121
- HR 29 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:124
- HR 20 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1463
- EHRM 14 mei 2013, ECLI:CE:ECHR:2013:0514JUD006652911
- Raad van Beroep voor Belastingzaken (Nederlandse Antillen en Aruba) 17 maart 2010, ECLI:NL:ORBBNAA:2010:9
- Raad van Beroep voor Belastingzaken (Nederlandse Antillen en Aruba) 17 april 2009, ECLI:NL:ORBBNAA:2009:14
- EHRM 29 april 2008, ECLI:CE:ECHR:2008:0429JUD001337805
- HR 2 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU2297
- HR 25 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU6887