Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba 8 augustus 2023, ECLI:NL:OGEAA:2023:127
Belanghebbende is eigenaar van een stuk grond met daarop een opstal in Aruba (de onroerende zaak). Voor de periode 2017-2021 is de waarde voor de onroerende zaak vastgesteld. Deze waarde, die overigens niet in geschil is, vormt de maatstaf van heffing voor de jaarlijks daarover geheven grondbelasting. Per 1 januari 2019 is als gevolg van een wetswijziging het belastingtarief van de grondbelasting verhoogd van 0,4% naar 0,6%. In geschil is, kort samengevat, of de verhoging van het tarief gedurende deze vijfjaarsperiode is toegestaan. Bij tussenuitspraak van 4 februari 2022 (ECLI:NL:OGEEA:2022:15) heeft het Gerecht prejudiciële vragen aan de Hoge Raad gesteld. De Hoge Raad heeft deze vragen bij beslissing van 14 april 2023 beantwoord (ECLI:NL:HR:2023:488). Na ontvangst van de antwoorden op de prejudiciële vragen is zowel door belanghebbende als door de inspecteur gereageerd. Uit de reactie van belanghebbende volgt dat zij weinig begrip heeft voor de antwoorden op de prejudiciële vragen door de Hoge Raad. Het Gerecht heeft in de onderhavige zaak einduitspraak gedaan en daarbij de door de Hoge Raad gegeven antwoorden op de prejudiciële vragen geïmplementeerd. Alvorens dat te doen heeft het Hof de context aangegeven waartegen die implementatie plaatsvindt, alsook de beperkte bewegingsvrijheid die het Gerecht daarbij heeft. Daarbij heeft het Gerecht onder andere gewezen op het feit dat de Hoge Raad reeds zelf de eigen prejudiciële beslissing heeft toegepast in een vergelijkbare zaak (ECLI:NL: HR:2023:571). In zijn uitspraak gaat het Gerecht uitgebreid in op de door belanghebbende aangevoerde grieven tegen de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad en concludeert dat het geen reden ziet om af te wijken van de door de Hoge Raad gegeven prejudiciële beslissing en evenmin om opnieuw prejudiciële vragen te stellen.
De uitspraak op rechtspraak.nl