Conclusie A-G IJzerman 15 november 2022, ECLI:NL:PHR:2022:1070
A-G IJzerman heeft conclusie genomen in een zaak waarin de Inspecteur ten onrechte in een informatieverzoek aan Jersey heeft aangegeven dat er sprake was van ‘criminal tax matters’. Gevolgen voor de rechtmatigheid van de opgelegde informatiebeschikkingen? Heeft de Inspecteur ten onrechte opnieuw gevraagd naar informatie waarvan al eerder was geoordeeld dat belanghebbende die niet behoefde te geven? In hoeverre is een algemeen gevolmachtigde, bij geestelijk onvermogen van belanghebbende, verplicht informatie te verschaffen aan de Inspecteur? Het gaat om het beroep in cassatie van de staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 20 juli 2021, nrs. 20/00445 en 20/00446, ECLI:NL:GHARL:2021:6902. Aan belanghebbende zijn in 2015 en 2016 informatiebeschikkingen als bedoeld in artikel 52a van de AWR afgegeven met betrekking tot aangekondigde navorderingsaanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2002 tot en met 2012. De verzochte informatie ziet op een op Jersey gevestigde trust en de verhouding van belanghebbende tot die trust. De Inspecteur wil aan de hand van de gevraagde informatie nagaan of vermogen van en inkomsten uit de trust moeten worden toegerekend aan belanghebbende. Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat de informatiebeschikkingen ten onrechte zijn opgelegd. Bij akte van 22 april 1985 is de trust opgericht naar het recht van Jersey en aldaar gevestigd. Belanghebbende, die ten tijde van de oprichting woonde in het Verenigd Koninkrijk, heeft als settlor vermogen onder trustverband geplaatst. De beheerder (trustee) beheert het trustvermogen op basis van een door belanghebbende verstrekte ‘letter of wishes’. In een eerdere procedure heeft Rechtbank Haarlem, daarin gevolgd door Gerechtshof Amsterdam, de door de inspecteur aangebrachte correcties in de aan belanghebbende opgelegde aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2002 tot en met 2005 ongedaan gemaakt en geoordeeld dat belanghebbende de informatieverplichting ingevolge artikel 47 van de AWR niet heeft geschonden. De inspecteur had, uitgaande van fiscale transparantie van de trust, de bezittingen van de trust rechtstreeks aan belanghebbende toegerekend. Op 6 oktober 2014 heeft de Inspecteur, via het Central Liaison Office (het CLO), op grond van artikel 4 van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Staten van Jersey inzake de uitwisseling van informatie betreffende belastingzaken (de TIEA) de autoriteiten van Jersey om informatie verzocht betreffende de trust. In het informatieverzoek is, onder aanduiding van een ‘criminal tax matter’, tevens verzocht om informatie die ziet op een periode voorafgaand aan de inwerkingtreding van de TIEA. Op 5 januari 2015 hebben de autoriteiten van Jersey de gevraagde informatie, uitgaande van de gemelde aanwezigheid van ‘criminal tax matters’, ook met betrekking tot de periode voorafgaand aan 1 januari 2009, digitaal aangeleverd aan de Nederlandse autoriteiten. Deze informatie is op 19 januari 2015 doorgeleverd aan de Inspecteur. Naar aanleiding van de uit Jersey verkregen informatie heeft de Inspecteur de informatiebeschikkingen afgegeven. Belanghebbende lijdt sinds 2010 aan de ziekte van Alzheimer en is niet langer in staat de huidige situatie of procedure te begrijpen. Bij akte (levenstestament) van 26 februari 2016 heeft belanghebbende zijn gemachtigde aangesteld als algemeen gevolmachtigde. Bij het Hof heeft de Inspecteur erkend dat er geen redelijk vermoeden van overtreding van een strafrechtelijke norm bestond op het moment dat in het informatieverzoek aan de autoriteiten van Jersey gemeld werd dat sprake was van ‘criminal tax matters’. Dat brengt volgens het Hof mee dat de Inspecteur onrechtmatig heeft gehandeld door in het informatieverzoek te stellen dat sprake is van ‘criminal tax matters’. Het Hof gebruikt de uit Jersey verkregen informatie daarom slechts voor zover deze ziet op de periode vanaf 1 januari 2009. De in de informatiebeschikkingen neergelegde verzoeken om informatie van de kant van belanghebbende, alsmede door belanghebbende op te stellen overzichten, opgaven en opstellingen, die neerkomen op schriftelijke verklaringen van belanghebbende, behoeven volgens het Hof gezien de slechte gezondheidstoestand van belanghebbende, alleen te worden beantwoord indien en voor zover de gemachtigde van belanghebbende deze informatie voorhanden heeft. Ook heeft het Hof geoordeeld dat de informatiebeschikking van 28 oktober 2015 niet kan zien op de jaren 2002 tot en met 2005, omdat de Inspecteur daarmee in feite vraagt om een herbeoordeling van het oordeel van het Gerechtshof Amsterdam. Het Hof heeft ten slotte de in de informatiebeschikkingen neergelegde vragen nader vastgesteld. De Staatssecretaris komt thans in cassatie op tegen de Hofuitspraak, onder aanvoering van twee middelen. In het eerste middel wordt gesteld dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat een deel van het bewijsmateriaal dat is verkregen uit Jersey van gebruik moet worden uitgesloten, waardoor de informatiebeschikkingen voor zover die zien op de jaren vóór 2009, vernietigd moeten worden. De A-G acht de desbetreffende oordelen van het Hof echter juist, zodat dit middel faalt. In het tweede middel wordt gesteld dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de gemachtigde van belanghebbende alleen de in de informatiebeschikkingen neergelegde vragen behoeft te beantwoorden voor zover hij de benodigde informatie reeds voorhanden heeft. De A-G merkt daarover op dat belanghebbende vertegenwoordigingsbevoegdheden heeft gegeven aan zijn gemachtigde. Deze mag die bevoegdheden uitoefenen naar - nog redelijk te achten - eigen inzicht. De strekking van de volmacht is niet om rechten te verlenen aan derden die buiten de contractuele relatie staan. Niettemin lijkt het de A-G in het maatschappelijk verkeer redelijk te achten dat de gemachtigde informatie die hij voorhanden heeft of op eenvoudige wijze kan verkrijgen, desverzocht geeft aan de Inspecteur. Het is volgens de A-G niet in algemene termen mogelijk uit de volmacht af te leiden dat de gemachtigde verplicht is, voor zover objectief mogelijk, aan de Inspecteur de informatie te verschaffen die belanghebbende zelf niet meer kan geven gezien zijn gezondheidssituatie. Aldus faalt ook het tweede middel. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van de Staatssecretaris ongegrond dient te worden verklaard.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HR 14 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1439
- HR 12 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1595
- Hof Arnhem-Leeuwarden 20 juli 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:6902
- HR 4 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:822
- HR 8 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1973
- Hof 's-Hertogenbosch 23 juli 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:2351
- Rb. Gelderland 4 februari 2020, ECLI:NL:RBGEL:2020:638
- HR 8 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1715
- Conclusie A-G IJzerman 25 maart 2019, ECLI:NL:PHR:2019:295
- HR 6 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2056
- HR 2 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:843
- HR 10 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:130
- HR 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3602
- HR 13 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3273
- HR 14 augustus 2015, ECLI:NL:HR:2015:2168
- HR 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:643
- HR 2 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1034
- Hof Amsterdam 8 november 2012, ECLI:NL:GHAMS:2012:BY5802
- HR 26 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL8877
- HR 14 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX7471