Conclusie A-G IJzerman 28 januari 2021, ECLI:NL:PHR:2021:81
In geschil is of het Hof tot het verwerpen van de administratie kon oordelen, indien de Inspecteur geen informatiebeschikking heeft vastgesteld. Tevens is in geschil of belanghebbenden de vereiste aangiften hebben gedaan en of de Inspecteur bij het vaststellen van de (navorderings)aanslagen is uitgegaan van een redelijke schatting. Het gaat om het beroep in cassatie van [X1] respectievelijk [X2], belanghebbenden, tegen de uitspraken van Gerechtshof Amsterdam van 19 maart 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:997 en ECLI:NL:GHAMS:2020:995. De eerste belanghebbende was ten tijde van het geschil samen met haar echtgenoot (zaaknummer 20/01461), zijn broer (20/01460) en diens echtgenote (20/01462) firmant in een vennootschap onder firma (de VOF, 20/01463). De activiteiten van de VOF bestonden uit inkoop, verkoop en reparatie van sieraden en in- en verkoop en bewerking van edele metalen. Daarnaast werden ook sieraden via een website te koop aangeboden. Op 28 maart 2011 is de politie een strafrechtelijk onderzoek begonnen naar de bedrijfsvoering van de VOF en haar firmanten. Op 10 december 2013 heeft de Inspecteur boekenonderzoeken in gang gezet bij de VOF en haar firmanten. Bij belanghebbenden is de aanvaardbaarheid van hun aangiften inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) voor de jaren 2010 en 2011 onderzocht. De inbeslaggenomen financiële administratie van de VOF is als basis gebruikt. Daarnaast heeft de Inspecteur gebruik gemaakt van informatie uit het strafrechtelijke onderzoek. De Inspecteur heeft – zonder een informatiebeschikking te nemen – aan belanghebbenden met dagtekening 21 november 2014 navorderingsaanslagen IB/PVV 2010 en aanslagen IB/PVV 2011 opgelegd. De (navorderings)aanslagen zijn gebaseerd op in de controlerapporten geconstateerde gebreken in de administratie van de VOF. Het Hof heeft om te beginnen geoordeeld dat omkering en verzwaring van de bewijslast wegens het niet voldoen aan de administratie- en bewaarplicht niet aan de orde kan zijn, wegens het ontbreken van een informatiebeschikking. Vervolgens is het Hof van oordeel dat de administratie van de VOF vanwege diverse ernstige tekortkomingen en vervalste inkoopbonnen niet als grondslag voor de winstberekening kan dienen. De Inspecteur heeft volgens het Hof zijn schatting van de belastbare winst, die is gebaseerd op de inkopen zoals die uit de administratie van de VOF blijken en een brutowinstpercentage van 100, voldoende gemotiveerd. Naar het oordeel van het Hof is aannemelijk dat belanghebbenden op hun inkopen ten minste een brutowinst van 75% hebben behaald. Vervolgens heeft het Hof geoordeeld dat belanghebbenden niet de vereiste aangiften hebben gedaan. De volgens de aangiften verschuldigde belasting is naar het oordeel van het Hof op zichzelf beschouwd en verhoudingsgewijs aanzienlijk lager dan de werkelijk verschuldigde belasting. Ten tijde van het doen van de aangiften wisten of moesten belanghebbenden zich ervan bewust zijn dat een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven. De door de Inspecteur opgelegde (navorderings)aanslagen berusten naar het oordeel van het Hof op een redelijke schatting. Belanghebbenden hebben volgens het Hof met al hetgeen zij hebben aangevoerd, niet overtuigend aangetoond dat de (navorderings)aanslagen te hoog zijn vastgesteld. Het eerste middel is gericht tegen het oordeel van het Hof dat de boekhouding vanwege diverse ernstige tekortkomingen niet als grondslag voor de winstberekening kan dienen. Gesteld wordt dat het Hof niet tot het verwerpen van de administratie kon oordelen, omdat de Inspecteur geen informatiebeschikking heeft vastgesteld. Dit laatste is volgens de A-G onjuist. Verder meent de A-G dat het Hof tot de conclusie kon komen dat de administratie van belanghebbenden niet als grondslag voor de winst kan dienen, vanwege onder meer het vervalsen van inkoopbonnen in de administratie van de VOF en het ontbreken van een adequate kasadministratie. In het tweede middel wordt opgekomen tegen het oordeel dat niet de vereiste aangiften zijn gedaan. De A-G acht de door het Hof ter zake gemaakte berekeningen en het oordeel van het Hof over de redelijke schattingen van de Inspecteur echter niet onbegrijpelijk. Het derde middel dat daarop voortgaat faalt eveneens. De conclusie strekt ertoe dat de onderscheiden beroepen in cassatie van belanghebbenden ongegrond dienen te worden verklaard.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
- Artikel 437 Sr
- Artikel 16 AWR
- Artikel 25 AWR
- Artikel 27e AWR
- Artikel 29 AWR
- Artikel 41 AWR
- Artikel 47 AWR
- Artikel 47a AWR
- Artikel 49 AWR
- Artikel 52 AWR
- Artikel 52a AWR
- Artikel 53 AWR
- Artikel 53a AWR
- Artikel 9 Meststw
- Artikel 24 Meststw
- Artikel 45 Meststw
- Artikel 8:60 Awb
- Artikel 8:77 Awb
- Artikel 9 Besluit administratieve verplichtingen Meststoffenwet
- Artikel 6 Besluit tarieven in strafzaken 2003
Aangehaalde uitspraken
- Conclusie A-G IJzerman 25 november 2020, ECLI:NL:PHR:2020:1122
- HR 19 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:896
- Hof Amsterdam 19 maart 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:995
- Hof Amsterdam 19 maart 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:997
- HR 15 februari 2019, ECLI:NL:HR:2019:164
- Hof Amsterdam 30 januari 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:421
- Hof Amsterdam 11 augustus 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:3871
- Hof Amsterdam 11 augustus 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:3872
- Hof Amsterdam 11 augustus 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:3873
- HR 2 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:958
- HR 4 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3467
- HR 9 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:2987
- HR 2 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:2795
- EHRM 23 oktober 2014, ECLI:CE:ECHR:2014:1023JUD002778510
- HR 8 augustus 2014, ECLI:NL:HR:2014:2146
- HR 28 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:63
- HR 31 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX7184
- HR 9 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY2665
- HR 13 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV5172
- HR 17 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO6755