Conclusie A-G IJzerman 25 november 2020, ECLI:NL:PHR:2020:1122
A-G IJzerman heeft conclusie genomen over de vraag in hoeverre de Inspecteur buiten het geval van omkering van de bewijslast, gebruik mag maken van bewijsvermoedens ter terug rekening van de bedragen die moeten hebben gestaan op een verzwegen Zwitserse bankrekening. Het gaat om het beroep in cassatie van [X], belanghebbenden, tegen de uitspraak van Gerechtshof Den Haag van 1 november 2019, nrs. BK-19/00256 tot en met 19/00258. Belanghebbenden zijn de twee erfgenamen (zonen) van erflaatster, overleden op 10 februari 2017. Zij beschikte sinds 1984 over een verzwegen rekening bij een bank in Zwitserland. Op 26 juli 2004 heeft erflaatster het bij de Zwitserse bank aangehouden saldo verdeeld over belanghebbenden. In haar aangiften inkomstenbelasting voor de voorgaande jaren 2001 tot en met 2003, heeft erflaatster geen vermogensbestanddelen opgenomen die voorkwamen op die rekening. Belanghebbenden hebben in de onderhavige procedure dienovereenkomstig gesteld dat die aangiften juist waren, omdat er in die jaren geen vermogen op de Zwitserse bankrekening zou zijn geweest. Eerder is door erflaatster geprocedeerd over informatiebeschikkingen die voor de jaren 2001 tot en met 2004 door de Inspecteur ten aanzien van haar waren vastgesteld. Daarvan in nu nog van belang de uitkomst dat in casu geen omkering van de bewijslast mag plaatsvinden. Na afronding van de procedure over de informatiebeschikkingen heeft de Inspecteur op 30 september 2017, na het overlijden van erflaatster, aan belanghebbenden navorderingsaanslagen IB/PVV over de jaren 2001 tot en met 2003 opgelegd. De Inspecteur heeft bij het vaststellen van de navorderingsaanslagen de inkomens uit sparen en beleggen van erflaatster gecorrigeerd wegens niet aangegeven buitenlands vermogen. Voor de berekening van die correcties is de Inspecteur, met terug rekening, uitgegaan van het in juli 2004 (het moment van de schenking) aanwezige saldo op de Zwitserse bankrekening van € 414.000 en een (verondersteld) jaarlijks rendement van 5%. In het licht van de vraag of de navorderingsaanslagen tot de juiste bedragen zijn vastgesteld, is met name in geschil in hoeverre gebruik mag worden gemaakt van bewijsvermoedens voor het vaststellen van de belastingschuld indien, zoals in casu, omkering en verzwaring van de bewijslast niet aan de orde is. Rechtbank en Hof hebben geoordeeld dat de Inspecteur in principe ook in gevallen als het onderhavige met gebruik van bewijsvermoeden kan voldoen aan zijn bewijslast. Gezien de omvang van het in juli 2004 aanwezige vermogen, is de hoogte van de door de Inspecteur gehanteerde correcties aannemelijk. De in geschil zijnde navorderingsaanslagen zijn gehandhaafd. Het eerste cassatiemiddel van belanghebbenden behelst dat indien omkering en verzwaring van de bewijslast niet aan de orde is, van de kant van de Inspecteur geen gebruik mag worden gemaakt van bewijsvermoedens. De A-G meent daarentegen dat uit gewezen jurisprudentie volgt dat een inspecteur in principe ook met gebruik van bewijsvermoedens kan voldoen aan zijn bewijslast, mits deze daaraan voldoende relevante omstandigheden en uitgangspunten ten grondslag heeft gelegd. Dat is volgens de A-G in casu het geval. Een belastingplichtige die aan het effectief worden van een bewijsvermoeden wil ontkomen, kan zich verweren a) door de feiten en omstandigheden te betwisten die aan het bewijsvermoeden ten grondslag worden gelegd en/of b) door andere feiten te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken waardoor redelijke twijfel wordt gewekt ten aanzien van de redengevende kracht van het bewijsvermoeden, zodat dit vermoeden wordt ontzenuwd. Daarin zijn belanghebbenden volgens de A-G niet geslaagd. In het tweede middel klagen belanghebbenden over het in feitelijke instanties gehanteerde terug rekening percentage van 5%, dat zij te laag achten. De A-G meent echter dat dit feitelijke oordeel in stand moet blijven. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbenden ongegrond dient te worden verklaard.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- Rb. Den Haag 26 februari 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:1566
- HR 10 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:130
- HR 13 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3273
- HR 20 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1456
- HR 24 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:84
- HR 28 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:63
- HR 15 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN6324
- HR 4 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2975
- HR 13 augustus 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK8502
- HR 28 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA1718
- HR 12 augustus 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU0869
- HR 25 oktober 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE9354
- Hof Arnhem 16 januari 2001, ECLI:NL:GHARN:2001:AA9671
- HR 13 december 1995, ECLI:NL:HR:1995:AA3124