Conclusie A-G IJzerman 28 januari 2021, ECLI:NL:PHR:2021:80
In geschil is of bij belanghebbenden sprake was van (voorwaardelijk) opzet, of de opgelegde boeten passend en geboden zijn gelet op het feit dat de in geschil zijnde aanslagen met behulp van de omkering van de bewijslast zijn vastgesteld en of een deel van de overschrijding van de redelijke termijn is te wijten aan de ingewikkeldheid van de zaak. Het gaat om het beroep in cassatie van [X1] respectievelijk [X2], belanghebbenden, tegen de uitspraken van Gerechtshof Amsterdam van 19 maart 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:994 en ECLI:NL:GHAMS:2020:996. Belanghebbenden waren firmant in een vennootschap onder firma (de VOF) waarvan de activiteiten bestonden uit inkoop, verkoop en reparatie van sieraden en in- en verkoop en bewerking van edele metalen. Daarnaast werden ook sieraden via een website te koop aangeboden. Op 28 maart 2011 is de politie een strafrechtelijk onderzoek gestart naar de bedrijfsvoering van de VOF en haar firmanten. Op 10 december 2013 is de Inspecteur boekenonderzoeken gestart. De Inspecteur heeft tijdens het strafrechtelijke onderzoek aan belanghebbenden (navorderings)aanslagen IB/PVV opgelegd. Gelijktijdig heeft de Inspecteur boetebeschikkingen vastgesteld. Op 11 augustus 2017 zijn de tweede belanghebbende en de VOF door de meervoudige strafkamer van het Hof veroordeeld wegens valsheid in geschrift, met name wegens het vervalsen van inkoopbonnen en het valselijk opmaken van het registerboek 2011 van de VOF. De eerste belanghebbende is vrijgesproken. Het Hof heeft in de onderhavige procedure geoordeeld dat de administratie van de VOF, vanwege diverse ernstige tekortkomingen en vervalste inkoopbonnen, niet als grondslag voor de winstberekening kan dienen. Naar het oordeel van het Hof is aannemelijk dat belanghebbenden op de inkopen ten minste een brutowinst van 75% hebben behaald. Vervolgens heeft het Hof geoordeeld dat de vereiste aangiften niet zijn gedaan. Inzake de boeten heeft het Hof geoordeeld dat het aan opzet van belanghebbenden te wijten is dat de aanslagen voor een te laag bedrag waren vastgesteld. Het Hof acht aannemelijk dat belanghebbenden op de hoogte waren van de veelheid aan en de ernst van de gebreken in de administratie van de eenmanszaak en de VOF. Door op basis van die administratie aangiften in te dienen waren zij zich ervan bewust dat er een aanmerkelijke kans bestond dat die aangiften onjuist waren en dat zij die kans dus bewust hebben aanvaard. De Inspecteur heeft de boeten verminderd met 10-procentpunten (van 50% naar 40%). Hiermee is volgens het Hof in voldoende mate rekening gehouden met het feit dat de in geschil zijnde belastingaanslagen zijn vastgesteld met omkering en verzwaring van de bewijslast. Ten slotte heeft het Hof de opgelegde boeten verder gematigd wegens overschrijding van de redelijke termijn van berechting. Het vijfde middel is gericht tegen het oordeel van het Hof dat bij belanghebbende sprake was van (voorwaardelijk) opzet. Gesteld wordt dat 's Hofs oordeel over de gebrekkigheid van de administratie bijna volledig is gebaseerd op de valsheid van de inkoopbonnen. Omdat de eerste belanghebbende is vrijgesproken in de strafzaak voor de valse inkoopbonnen, is het zonder nadere toelichting onbegrijpelijk welke vele andere ernstige gebreken zouden kunnen bijdragen aan de verwijtbare wetenschap van deze belanghebbende, aldus het middel. De A-G meent dat dit middel faalt wegens gebrek aan feitelijke grondslag, vanwege de andere ernstige administratieve gebreken waarop het Hof zijn oordeel mede heeft gebaseerd. Het zesde middel behelst dat om de omkering van de bewijslast op juiste wijze te elimineren bij de beoordeling van de ernst van het feit, het uitgangspunt moet zijn dat de Inspecteur met toepassing van de normale bewijsregels aannemelijk moet maken welk bedrag als grondslag voor de boeteoplegging moet dienen. De A-G meent daarentegen dat er bij de beoordeling van de passendheid van een vergrijpboete in uitgangspunt van mag worden uitgegaan dat de feitelijk geheven belasting de verschuldigde belasting is, óók als de hoogte daarvan is komen vast te staan met omkering van de bewijslast. Bij de daarop volgende toetsing van de passendheid moet ook worden betrokken de omstandigheid dat bij de aanslagoplegging omkering is toegepast. In het zevende middel wordt bij wege van motiveringsklacht opgekomen tegen het oordeel van het Hof dat een deel van de overschrijding van de redelijke termijn is te wijten aan de ingewikkeldheid van de zaak. De A-G acht dat oordeel echter niet onbegrijpelijk. De conclusie strekt ertoe dat de onderscheiden beroepen in cassatie van belanghebbenden ongegrond dienen te worden verklaard.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- Hof Amsterdam 19 maart 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:994
- Hof Amsterdam 19 maart 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:996
- Rb. Noord-Holland 28 februari 2018, ECLI:NL:RBNHO:2018:1282
- Hof Amsterdam 11 augustus 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:3871
- Hof Amsterdam 11 augustus 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:3872
- Hof Amsterdam 11 augustus 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:3873
- HR 2 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:958
- HR 13 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3291
- HR 2 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:2795
- HR 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:643
- EHRM 23 oktober 2014, ECLI:CE:ECHR:2014:1023JUD002778510
- HR 21 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:540
- HR 9 augustus 2013, ECLI:NL:HR:2013:199
- HR 31 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY7673
- HR 22 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX6666
- HR 6 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BQ8596
- HR 17 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV5140
- HR 3 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO5989
- HR 30 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH1083
- HR 19 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD0191