Hof Amsterdam 19 maart 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:994

Belanghebbende drijft in de jaren tot en met 2009 een juwelierszaak. Eind 2009 brengt hij de onderneming in in een Vof (met hemzelf, zijn broer, zus en schoonzus als medefirmanten). Zijn boekhouder, belanghebbendes broer, vervalst inkoopbonnen. Belanghebbende is vrijgesproken van valsheid in geschrift. De boekhouding kent voorts andere ernstige tekortkomingen (bijv. geen kas-, voorraadadministratie). De inspecteur neemt geen informatiebeschikking, stelt omkering van de bewijslast en vordert IB na en heft OB (over het tijdvak tot 2010) na. Het Hof oordeelt dat de boekhouding - van de eenmanszaak en de Vof - niet kan dienen als grondslag voor de winst- en omzetberekening. Daaraan doet niet af dat belanghebbende strafrechtelijk is vrijgesproken van het vervalsen van inkoopbonnen. Het Melo Tadeu verweer wordt verworpen. Aannemelijk is voorts dat de onderneming ten minste een bruto winst van 75% behaald heeft. De niet aangegeven winst is aanzienlijk en aannemelijk is dat belanghebbende de ernst van de gebreken in de boekhouding kende of zich ervan bewust was. Belanghebbende heeft dus niet de vereiste aangifte gedaan. De schatting van de inspecteur - die gebaseerd is op een bruto winst percentage van 100% - is redelijk. Boeten van 40% zijn passend en geboden.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken