Conclusie A-G Niessen 11 augustus 2021, ECLI:NL:PHR:2021:754

In geschil is of de beloning betaald door een Nederlandse vennootschap aan een naar Costa Rica geëmigreerde bestuurder en werknemer die is vrijgesteld van werkzaamheden, in de belastingheffing dient te worden betrokken in Nederland. Belanghebbende is werknemer en bestuurder van een in Nederland gevestigde vennootschap. Naar aanleiding van een conflict tussen belanghebbende en de overige bestuurders over de eventuele verkoop van de aandelen in de vennootschap, is belanghebbende vrijgesteld van zijn werkzaamheden in dienstbetrekking met behoud van zijn reguliere jaarsalaris. Op 15 maart 2015 is belanghebbende geëmigreerd naar Costa Rica. Per 31 december 2015 is belanghebbende uit dienst getreden. Naar het oordeel van het Hof heeft de Rechtbank terecht en op de juiste gronden geoordeeld dat de loon(inkomsten) die belanghebbende heeft ontvangen voor de periode na 15 maart 2015 tot 31 december 2015 in Nederland door hem als buitenlands belastingplichtige zijn genoten, namelijk ter zake van het verrichten dan wel hebben verricht van arbeid in dienstbetrekking in Nederland. De vrijstelling van werkzaamheden brengt in de gegeven omstandigheden naar het oordeel van het Hof niet mee dat de inkomsten niet in de Nederlandse heffing kunnen worden betrokken, nu aan de toepassing van artikel 7.2, lid 2, aanhef en onderdeel b, Wet IB 2001 niet in de weg staat dat in 2015 tegenover de ontvangen loonbetalingen geen daadwerkelijke arbeid in Nederland is verricht. In cassatie klaagt belanghebbende dat de Wet IB 2001 geen grondslag kent om het inkomen van belanghebbende, voor zover genoten na 15 maart 2015, in de belastingheffing te betrekken. Ook bestrijdt belanghebbende het oordeel van het Hof dat de Rechtbank terecht en op juiste gronden heeft geoordeeld dat de inkomsten die belanghebbende van [C] B.V. heeft ontvangen in de periode na 15 maart 2015 door hem als buitenlands belastingplichtige zijn genoten. Het beschikbaar zijn voor werkzaamheden is naar de mening van de A-G een prestatie van de werknemer aan de werkgever, die rechtstreeks verband houdt met de in het loontijdvak geleverde prestatie. Belanghebbende heeft verder onbetwist gesteld dat deze prestatie volledig heeft plaatsgevonden in Costa Rica, zodat in Nederland geen arbeid is verricht. De A-G leidt uit de uitspraken van zowel de Rechtbank als het Hof af dat zij ervan uitgaan dat belanghebbende geen arbeid in Nederland heeft verricht. Indien geen arbeid in Nederland is verricht, kan de fictie van artikel 7.2, lid 7, eerste volzin, Wet IB 2001 ook niet opgaan, aldus de A-G. De A-G betoogt verder dat in de onderhavige zaak op geen enkele wijze blijkt dat sprake zou zijn van een opgebouwd recht zoals pensioenuitkering, een beëindigingsvergoeding of een schadeloosstelling, maar louter van inkomsten uit dienstbetrekking die zien op het beschikbaar zijn voor het verrichten van arbeid na 15 maart 2015 zonder dat daadwerkelijk werkzaamheden werden verricht. Dit leidt de A-G tot de conclusie dat evenmin sprake kan zijn van loon ter zake van het hebben verricht van arbeid in Nederland. De eerste twee klachten van belanghebbende slagen. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende gegrond dient te worden verklaard.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken