Rb. 's-Gravenhage 13 juli 2006, ECLI:NL:RBSGR:2006:AY8459

AX is vanaf juni 1997 in dienst van YNl, een tot Y Group behorende vennootschap en werkzaam als financieel directeur van Y Group. Y Group is een divisie van het Z-concern. Y Group omvat 28 bedrijven, waaronder de in België gevestigde vennootschap YBel en de in het Verenigd Koninkrijk gevestigde vennootschap YUK. X is bestuurder van YBel en YUK. Het Z-concern besluit in 2000 Y Group te verkopen. Al gegadigde dient zich het Q-concern aan, dat niet in alle onderdelen van Y Group geinteresseerd is. Voor onder meer YBel en YUK heeft het Q-concern geen belangstelling. Het Z-concern hecht er daarentegen aan Y Group als geheel van de hand te doen. De overname van Y Group door het Q-concern is in 2001 totstandgekomen. De overnamesom bedraagt € a. Eén procent van de overnamesom is in de vorm van bonussen uitbetaald aan 15 bij de overname betrokken managers van het Z-concern, onder wie X. X ontvangt drie bonussen, tezamen groot € b. Dit bedrag is door het Z-concern als volgt gespecificeerd: voor werkzaamheden in Nederland € c, voor werkzaamheden in België € d en voor werkzaamheden in het Verenigd Koninkrijk € e. X heeft de bonussen (hierna respectievelijk: de Nederlandse, de Belgische en de Britse bonus) vermeld in zijn aangifte voor het jaar 2001 en de Belgische en de Britse bonus begrepen in het inkomen uit werk en woning terzake waarvan hij een aftrek ter voorkoming van dubbele belasting heeft gevraagd. Het geschil betreft de vraag of verweerder ter zake van de Belgische bonus een vermindering ter voorkoming van dubbele belasting als bedoeld in artikel 24, § 1, van het Belgisch-Nederlandse belastingverdrag 1970 (hierna: het Verdrag), moet verlenen. Naar het oordeel van de rechtbank beoogden de regeringen van Nederland en België, toen zij in 1970 het Verdrag sloten, met betrekking tot de inkomsten uit niet-zelfstandige arbeid en de bestuurdersbeloningen tot een zelfde verdeling van heffingsbevoegdheden te komen als die, welke in de artikelen 15, § 1, en 16 van het OESO-Modelverdrag 1963 is neergelegd. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat zowel Nederland als België lidstaat van de OESO zijn en zich op grond van de Aanbeveling van de Raad van de OESO van 30 juli 1963 bij het sluiten van het Verdrag gehouden waren zich te conformeren aan het OESO Modelverdrag 1963 en de daarbij behorende commentaren. Vaststaat dat X als werknemer van YNL de functie van financieel directeur van Y Group vervulde en dat eiser zijn werkzaamheden in die functie (nagenoeg) geheel in en vanuit Nederland verrichtte. Naar volgt uit onder meer de door eiser overgelegde verklaring van de president-directeur van het Z-concern, heeft X in zijn hoedanigheid van financieel directeur van Y Group de opdracht gekregen zich in te zetten voor de overname van Y Group als geheel door het Q-concern. Nadat deze opdracht was uitgevoerd, heeft de president-directeur van het Z-concern, met instemming van de Raad van Commissarissen, X terzake een extra beloning van € b toegekend. Grondslag van deze beloning was de eveneens op concernniveau genomen beslissing om één procent van de totale overnamesom in de vorm van bonussen uit te betalen aan 15 bij de overname betrokken managers van Z-concern, onder wie eiser. Deze omstandigheden, in onderlinge samenhang beschouwd, laten geen andere conclusie toe dan dat eiser de extra beloning van € b heeft ontvangen ter zake van de door hem in Nederland als werknemer van YNl in opdracht en ten behoeve van het Z-concern verrichte werkzaamheden. Hieraan doet niet af dat X in het kader van de overname specifieke taken had wat betreft YBel. Deze specifieke taken nemen immers niet weg dat de aan eiser gegeven opdracht en de op grond daarvan door hem verrichte werkzaamheden de verkoop van Y Group betroffen, waarbinnen YBel slechts één van de 28 als één geheel te verkopen bedrijven was. Ook de door het Z-conccern gegeven specificatie kan geen oorzakelijk verband tussen een gedeelte van de aan eiser toegekende extra beloning van € b en eisers werkzaamheden ten behoeve van YBel bewerkstelligen. Dit klemt temeer nu de extra beloning voor rekening van Z-Group is gebleven en niet is doorbelast aan de bedrijven, die daar, bij het bestaan van een rechtstreeks verband in de zo-even bedoelde zin, voor in aanmerking kwamen, waaronder YBel. Derhalve is de Belgische bonus belastbaar in Nederland. Nu artikel 16, § 2, van het Verdrag slechts van belang is voor werkzaamheden die een inwoner van Nederland verricht als bestuurder van een in België gevestigde vennootschap op aandelen, en eisers werkzaamheden ter zake waarvan de Belgische bonus is toegekend, niet als zodanig kunnen worden aangemerkt, komt de rechtbank niet aan de toepassing van deze bepaling toe. Volgt ongegrondverklaring van het beroep.

De uitspraak op rechtspraak.nl