Conclusie A-G Niessen 30 april 2021, ECLI:NL:PHR:2021:441
A-G Niessen heeft conclusie genomen in een zaak over de vraag of een schip dat zich in de fase van (af)bouw bevindt en in die fase wordt overgebracht van Zuid-Korea naar Nederland, waarbij ook goederen en personen worden vervoerd, wordt geëxploiteerd in het internationaal verkeer in de zin van artikel 15, lid 3, van het Verdrag Nederland-Zwitserland 2010. Belanghebbende is in dienstbetrekking bij een Zwitserse werkgever en verricht zijn werkzaamheden op schepen van een gelieerde vennootschap. De belangrijkste diensten van deze gelieerde vennootschap zijn het leggen van pijpleidingen en het verwijderen van platforms. Vanaf 18 november 2014 is het schip waarop belanghebbende werkzaamheden verrichtte overgebracht van de werf in Zuid-Korea naar de haven van [Q] voor afbouw. Op 6 augustus 2016 is het schip voor het eerst uitgevaren voor tests op de Noordzee. In geschil is of de dienstbetrekking van belanghebbende is uitgeoefend aan boord van een schip dat wordt geëxploiteerd in internationaal verkeer als bedoeld in artikel 15, lid 3, van het Verdrag. De rechtbank Den Haag heeft het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard. Het gerechtshof Den Haag heeft het hoger beroep van belanghebbende ongegrond verklaard. Naar het oordeel van het Hof is het schip gedurende 2014 en 2015 niet geëxploiteerd voor het vervoer van personen of goederen in internationaal verkeer. Hierbij wijst het Hof erop dat het schip zich tijdens de bouwperiode in 2014 ruim tien maanden op de werf in Korea bevond en in 2015 vrijwel het gehele jaar in de Nederlandse haven lag. Hoewel volgens het Hof kan worden aangenomen dat bij de overbrenging van Korea naar Nederland personen en goederen zijn vervoerd, betreft dit volgens het Hof specifieke vervoersbewegingen tijdens de bouwfase. Een dergelijke overbrenging kwalificeert naar het oordeel van het Hof niet als (commercieel) vervoer van personen of goederen, zoals vereist voor toepassing van artikel 15, lid 3, van het Verdrag. In cassatie klaagt belanghebbende dat – gelet op doel en strekking van zowel artikel 8 als artikel 15, lid 3, van het Verdrag – ook de loonkosten van werknemers die zijn gemaakt tijdens (af)bouwwerkzaamheden en vervoersbewegingen voorafgaand aan de eerste commerciële activiteiten van het schip onder de toepassing van artikel 15, lid 3, van het Verdrag dienen te vallen. Na een onderzoek naar de uitlegging van het begrip ‘exploiteren in het internationaal verkeer’ komt A-G Niessen tot de conclusie dat hoewel tijdens de overbrenging in de (af)bouwfase sprake is van internationaal verkeer in die zin dat het schip is verplaatst van de ene staat naar de andere, er geen sprake is van exploitatie in het internationaal verkeer als bedoeld in artikel 15, lid 3, van het Verdrag. Het schip was in de jaren 2014 en 2015 namelijk nog niet gereed voor (commercieel) gebruik, nu het pas vanaf 6 augustus 2016 voor het eerst uit is gevaren voor commerciële activiteiten en zich tot die tijd nog in de fase van (af)bouw bevond. Dit transport tijdens en in het kader van de afbouwfase gaat op in de afbouwwerkzaamheden en hangt verder niet samen met de exploitatie van een schip. Zelfs indien het schip zou zijn geëxploiteerd in de jaren 2014 en 2015, is volgens A-G Niessen nog steeds geen sprake van exploitatie in internationaal verkeer als bedoeld in artikel 15, lid 3, van het Verdrag. Het schip vervoert gedurende de (af)bouwfase namelijk niet als dienst personen of goederen, maar draagt alleen zijn eigen gewicht, bemanning en wellicht onderdelen en/of personeel voor de bouw. Het (eventueel) behaalde resultaat met deze activiteiten zijn derhalve geen ‘profits from activities’ als bedoeld in de toelichting op artikel 8, lid 1, van het OESO-Modelverdrag. Daarmee kan ook geen sprake zijn van een beloning die is verkregen ter zake van een dienstbetrekking die wordt uitgeoefend aan boord van een schip dat in internationaal verkeer wordt geëxploiteerd. De klacht van belanghebbende faalt. Tot slot betoogt belanghebbende dat aan uitlatingen die namens een inspecteur zijn gedaan in (vergelijkbare) gerechtelijke procedures van andere belanghebbenden vertrouwen kan worden ontleend dat niet Nederland maar Zwitserland heffingsbevoegd is in een situatie als in onderhavige zaak. De A-G komt op basis van jurisprudentie tot de slotsom dat belanghebbende zich niet met vrucht kan beroepen op het optreden van een inspecteur ten aanzien van andere belastingplichtigen. Belanghebbende heeft ook niets gesteld waaruit zou blijken dat sprake is van zodanige omstandigheden dat hij mocht menen dat het optreden van een inspecteur ook zou gelden in onderhavige zaak. Voor zover de klacht van belanghebbende (mede) moet worden gezien als een beroep op het gelijkheidsbeginsel, komt de A-G eveneens tot de slotsom dat de klacht faalt. In de zaken van andere belanghebbenden waarop belanghebbende zich beroept ging het om werkzaamheden die werden verricht op een schip dat al voor het eerst in commercieel gebruik was genomen, zodat geen sprake is van rechtens en feitelijk vergelijkbare gevallen. De conclusie strekt tot het ongegrond verklaren van het beroep in cassatie van belanghebbende.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- Hof Den Haag 11 augustus 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:1572
- Rb. Noord-Nederland 30 maart 2020, ECLI:NL:RBNNE:2020:1445
- Rb. Noord-Nederland 30 maart 2020, ECLI:NL:RBNNE:2020:1446
- Rb. Den Haag 2 augustus 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:8396
- HR 14 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1326
- HR 4 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG7213
- HR 21 februari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF2699
- HR 21 februari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF2703
- HR 14 juli 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA6516
- HR 2 september 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC5045
- JR, ECLI:NL:JR:1978:AX2990