Hof Den Haag 11 augustus 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:1572
Belanghebbende woonde in 2014 en 2015 in Nederland, en was in dienstbetrekking werkzaam bij een Zwitserse vennootschap (de SA). Hij werkte in 2014 en 2015 aan boord van een schip dat olieplatforms kan vervoeren en dat offshore pijpleidingen kan leggen. Belanghebbende was werkzaam op het schip gedurende de bouw ervan op de werf in D-land, tijdens een deel van de overbrenging van het schip naar Nederland en gedurende de verdere afbouw in Nederland. Op grond van artikel 15, derde lid, van het belastingverdrag Nederland-Zwitserland mag de beloning die een inwoner van één van de staten verkrijgt ter zake van een dienstbetrekking uitgeoefend aan boord van een schip dat in internationaal verkeer wordt geëxploiteerd, worden belast in de staat waar de plaats van de werkelijke leiding van de scheepvaartonderneming is gelegen. Het Hof oordeelt dat uit het OESO-commentaar volgt dat deze bepaling ziet op winsten rechtstreeks behaald met het vervoer van personen of goederen in het internationale verkeer. Tijdens de perioden waarin belanghebbende op het schip heeft gewerkt, lag het schip in aanbouw op de werf in D-land en in de haven in Nederland. In die periode is het schip dus niet geëxploiteerd voor het vervoer van personen of goederen in het internationale verkeer. De overbrenging van het schip naar Nederland tijdens de bouwfase kwalificeert niet als (commercieel) vervoer van personen of goederen. Artikel 15, derde lid, van het verdrag is daarom niet van toepassing. Nederland heeft het exclusieve heffingsrecht over de inkomsten. Verder oordeelt het Hof dat belanghebbende, bij gebrek aan een inhoudingsplichtige voor de loonbelasting, in 2014 een vrijstelling op grond van de werkkostenregeling van 1,5% kan toepassen op het belastbare loon. Voor 2015 heeft de SA zich aangemeld als inhoudingsplichtige en is de vrijstelling niet van toepassing.
De uitspraak op rechtspraak.nl