Conclusie A-G Ettema 31 augustus 2020, ECLI:NL:PHR:2020:762
A-G Ettema heeft op verzoek van de Hoge Raad conclusie genomen in twee zaken die gaan over de vrijstelling voor het beheer van door beleggingsfondsen en beleggingsmaatschappijen ter collectieve belegging bijeengebracht vermogen, kortweg: het beheer van gemeenschappelijke beleggingsfondsen. Beide zaken gaan over beleggingsproducten die inhouden dat de betrokken vermogensbeheerder, de belanghebbenden in de twee zaken, het vermogen van diverse beleggers op dezelfde wijze belegt, een en ander onder een vergunning voor individueel vermogensbeheer. De betrokken beleggers hebben het te beheren vermogen bovendien gestort op de centrale rekening van een beleggersgiro. In deze zaak heeft Hof Amsterdam geoordeeld dat het vermogen op de centrale rekening van de betrokken beleggersgiro, een bewaarinstelling in de vorm een stichting, de essentiële kenmerken heeft van een gemeenschappelijk beleggingsfonds. Daartoe heeft het Hof onder meer relevant geacht dat de beleggersgiro het vermogen aanhoudt voor de gezamenlijke beleggers, dat rendementen de beleggers door de identieke wijze van beleggen in gelijke mate raken en dat de vorderingen luidende in effecten van elk van de beleggers ook fracties van effecten kan omvatten. In zowel juridische als economische zin acht het Hof een samenvoeging van de vermogens van beleggers aanwezig, hetgeen uiteindelijk essentieel is voor een beleggingsfonds. Aan het vereiste van bijzonder overheidstoezicht is naar het oordeel van het Hof ook voldaan, omdat de eisen verbonden aan een vergunning voor collectief vermogensbeheer op hoofdlijnen vergelijkbaar zijn met de eisen voor het verkrijgen van een vergunning voor individueel vermogensbeheer. Het beheer door belanghebbende van het vermogen van de beleggers is daarom vrijgesteld. Naar aanleiding van het beroep in cassatie van de staatssecretaris van Financiën gaat de A-G eerst in op het verschijnsel beleggersgiro. Vervolgens bespreekt zij dat voor het deelachtig worden van de vrijstelling voor het beheer van gemeenschappelijke beleggingsfondsen is vereist dat een fonds wordt beheerd. Een fonds moet naar haar mening een entiteit zijn, oftewel een combinatie met maatschappelijke zelfstandigheid. Bovendien moet die combinatie ondernemer zijn. Tot die slotsom leidt de jurisprudentie van het Hof van Justitie. Daaruit valt op te maken dat (i) een gemeenschappelijk beleggingsfonds een instelling voor collectieve belegging in effecten is of een fonds dat met een dergelijke instelling vergelijkbaar is en (ii) een instelling voor collectieve belegging in effecten een belastingplichtige is. Ten slotte gaat de A-G in verband met het vereiste van bijzonder overheidstoezicht in op het toezicht ingevolge de Wet op het financieel toezicht op beleggingsondernemingen (individueel vermogensbeheer) en beleggingsinstellingen (collectief vermogensbeheer). Dienaangaande komt zij tot de conclusie dat tussen het toezicht in beide gevallen vergelijkbaar is en niet een rechtvaardiging bestaat om het toezicht bij een vergunning voor individueel vermogensbeheer niet als bijzonder overheidstoezicht aan te merken. Uit de bestreden uitspraak volgt niet duidelijk of en, zo ja, waarom het beweerdelijke fonds, het vermogen op de centrale rekening van de beleggersgiro, een entiteit is die bovendien ondernemer is. Bij een enigszins welwillende lezing treft het eerste door de staatssecretaris voorgestelde middel in verband hiermee doel en leidt het tot cassatie.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HR 25 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2684
- Conclusie A-G Ettema 23 februari 2016, ECLI:NL:PHR:2016:91
- HR 11 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:838
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2004:650
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2006:289
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2007:391
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2012:484
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2014:139
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2015:801
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2020:310
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2020:513