Conclusie A-G IJzerman 18 juni 2020, ECLI:NL:PHR:2020:616

Moet de BPM bij herinvoer van een gebruikte auto worden berekend op basis van de historische BPM of op basis van de herrekende werkelijke waarde van eerdere in- en uitvoer? Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 17 september 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:7585 inzake nageheven BPM. Op 17 juli 2013 is het onderhavige voertuig (de eerste keer) ingevoerd. De datum van eerste toelating van het voertuig (in het buitenland) is 29 maart 2012. Naar aanleiding van de eerste aangifte BPM in 2013 heeft de Inspecteur de historische BPM (aanvankelijk € 22.859) naar werkelijke waarde herrekend en op een bedrag van € 16.525 vastgesteld. Op 15 september 2015 is het voertuig uitgevoerd. Bij die uitvoer is een teruggaaf verleend, weer op basis van de herrekening en met toepassing van de afschrijvingstabel. Binnen zes maanden na uitvoer, op 11 februari 2016, heeft belanghebbende het voertuig opnieuw ingevoerd. Belanghebbende heeft bij aangifte een bedrag aan historische BPM ingevuld van € 16.525. De Inspecteur heeft die aangifte niet gevolgd, maar heeft een naheffingsaanslag opgelegd als gebaseerd op de historische BPM, gecorrigeerd op € 20.302. Het Hof heeft de Inspecteur aldus in het gelijk gesteld. In cassatie voert belanghebbende weer aan dat de historische BPM opnieuw is vastgesteld bij eerste invoer in 2013. Hieruit volgt volgens belanghebbende dat het daarbij herrekende bedrag van € 16.525 het uitgangspunt dient te zijn bij (het doen van aangifte bij) de latere herinvoer. De A-G merkt daarover het volgende op. Bij de eerste import, op 17 juli 2013, is niet uitgegaan van de historische BPM, maar van een lager bedrag als herrekend naar de werkelijke waarde. De herrekende waarde is ook tot uitgangspunt genomen bij de export op 15 september 2015, op basis van artikel 14a, derde en vierde lid, van de Wet BPM juncto artikel 8d, vierde lid, van de Uitvoeringsregeling BPM. Uit de toelichting bij de werking van artikel 14a van de Wet BPM volgt dat daarmee wordt voorkomen dat er bij het uitvoeren van een auto meer BPM wordt terugbetaald dan bij de invoer is berekend. Dat staat volgens de A-G los van de historische bruto-BPM. Die blijft hetzelfde en kan het uitgangspunt van de berekening blijven bij latere herinvoer. Dit geldt, naar de A-G meent, ook bij toepassing van de anti-misbruik regeling van artikel 10a van de Wet BPM, als gericht tegen de zogenoemde ‘hagelschadeconstructie’. In de Memorie van Toelichting is als doelstelling verwoord: ‘Bij de hagelschadeconstructie wordt een jonge Nederlandse schadeauto geëxporteerd om zodoende de teruggaaf bij export te verkrijgen. Aansluitend wordt de auto vrijwel direct weer ingevoerd. De teruggaaf bij export geschiedt aan de hand van de cataloguswaarde en de tabel en kan afhankelijk van de leeftijd en prijs van de auto dus erg hoog zijn. Omdat de auto als gevolg van de schade weinig meer waard is, doet men bij de herinvoer een beroep op een taxatierapport, waardoor een laag BPM-bedrag wordt afgedragen. Het kabinet bestrijdt de hagelschadeconstructie door bij de herinvoer van bovenstaande gevallen geen heffing op basis van de werkelijke waarde van het voertuig toe te staan, maar heffing volgens de optionele afschrijvingstabel in dit geval verplicht te stellen. Op deze wijze wordt de bij uitvoer teruggegeven belasting opnieuw geheven, maar met toepassing van een kleine vermindering voor de periode dat het voertuig in het buitenland is geweest.’ Dat betekent volgens de A-G dat bij de onderhavige herinvoer, in casu binnen zes maanden, gebruik moet worden gemaakt van de forfaitaire tabel volgens artikel 10 van de Wet BPM juncto artikel 8, vijfde lid, van de Uitvoeringsregeling BPM. De enig mogelijke vermindering bestaat uit ‘een kleine vermindering voor de periode dat het voertuig in het buitenland is geweest’. Uit het voorgaande volgt, naar de A-G meent, dat het, anders dan belanghebbende heeft gesteld, niet de bedoeling van de wetgever is geweest om de herrekende bruto-BPM als uitgangspunt te nemen bij herinvoer, maar dat het uitgangspunt hier blijft de historische bruto-BPM. Daarom moet de bij de onderhavige herregistratie verschuldigde BPM worden berekend door het historische bruto BPM-tarief te verminderen aan de hand van de forfaitaire tabel. Belanghebbende heeft erop gewezen dat de berekening van de belasting op basis van de bruto BPM in haar geval tot meer verschuldigde BPM (€ 7.829) leidt dan de BPM die destijds bij uitvoer is teruggegeven (€ 6.179). Belanghebbende acht dit onjuist. De A-G merkt op dat dit is veroorzaakt doordat bij uitvoer (evenals eerder bij eerste invoer) is uitgegaan van de (lagere) werkelijke waarde, terwijl bij herinvoer, wegens toepassing van artikel 14a van de Wet BPM, moest worden uitgegaan van de tabelwaarde. Aan belanghebbende kan worden toegegeven dat de bijzonderheden van dit geval enigszins anders zijn dan werd voorzien bij de invoering van de antimisbruikbepaling van artikel 14a van de Wet BPM, maar de A-G ziet geen wettelijke basis voor enige tegemoetkoming ter zake. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond dient te worden verklaard.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken