Hof 's-Hertogenbosch 15 maart 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:1133
Het Hof heeft de gemachtigde van belanghebbende, A (hierna: de gemachtigde), als adviseur verbonden aan B B.V. te C, tijdens de eerste zitting voorgehouden dat het zich ernstig gestoord heeft aan zijn taalgebruik in de stukken van het geding. Nu de gemachtigde volhardt in de, naar het oordeel van het Hof, ongepaste, onfatsoenlijke en respectloze bejegening van zijn wederpartij, acht het Hof redenen aanwezig om de gemachtigde een waarschuwing te geven. Ten aanzien van het geschil overweegt het Hof dat het unierechtelijke verdedigingsbeginsel niet geschonden is, aangezien de Inspecteur belanghebbende in de gelegenheid heeft gesteld om, bij voorkeur schriftelijk, te reageren op het voornemen om een naheffingsaanslag op te leggen. De Inspecteur is niet verplicht een belastingplichtige, voorafgaande aan het opleggen van een naheffingsaanslag, expliciet voor een hoorgesprek uit te nodigen. Voorts overweegt het Hof dat een voorwaarde voor toepassing van artikel 10a, eerste lid, juncto artikel 14a, eerste lid, van de Wet BPM 1992 is dat sprake is van export met een duurzaam karakter. Naar het oordeel van het Hof heeft de Inspecteur niet voldaan aan de op hem rustende bewijslast om aannemelijk te maken dat de auto voorafgaande aan de herregistratie in het Nederlandse kentekenregister duurzaam buiten Nederland is gebracht. Het Hof legt aan dit oordeel ten grondslag dat onduidelijk is gebleven waar de auto tussen 7 november 2013 en 7/14 maart 2014 in voorraad heeft gestaan. Artikel 10a van de Wet BPM 1992 kan, naar het oordeel van het Hof, in het onderhavige geval derhalve niet toegepast worden. Ten slotte overweegt het Hof dat het door belanghebbende ingediende incidentele hoger beroep faalt dat hij recht heeft op vergoeding van de werkelijke proceskosten, aangezien van bijzondere omstandigheden zoals bedoeld in artikel 2, lid 3, van het Besluit proceskosten bestuursrecht niet is gebleken.
De uitspraak op rechtspraak.nl