Conclusie A-G IJzerman 30 april 2020, ECLI:NL:PHR:2020:431
Het gaat om de berekening van BPM voor een uit het buitenland ingevoerde WOK-auto en de formele aspecten van naheffing en registratie. Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 8 januari 2019, ECLI:NL:GHAMS:2018:87. Belanghebbende heeft in België een gebruikte personenauto gekocht. Deze heeft belanghebbende op 29 april 2016 geregistreerd. Daarbij is door de RDW geconstateerd dat de auto schade had opgelopen, te weten ‘wielophanging ernstig vervormd’, ‘dragende carrosseriedelen zijn ernstig vervormd’ en ‘langsbalken van het chassis zijn ernstig vervormd’. Dat zijn drie essentiële gebreken. De RDW heeft de auto aangeduid als ‘buitenlandse status: wacht op keuren’ (WOK). De RDW heeft de aanvraag aangehouden en belanghebbende opgedragen de aangegeven tekortkomingen aan zijn WOK-voertuig te verhelpen. Op 17 mei 2016 heeft belanghebbende ter zake van de registratie in het kentekenregister een BPM-aangifte ingediend. Op 2 juni 2016 heeft belanghebbende het volgens de aangifte verschuldigde bedrag van € 2.559 voldaan. Belanghebbende heeft aangifte gedaan met behulp van een taxatierapport. In de gehanteerde koerslijst staat een inkoopwaarde van de auto in onbeschadigde staat van € 43.776. De ingeschakelde taxateur heeft de kosten voor het herstel van de schade berekend op € 17.014. Belanghebbende heeft dit bedrag afgetrokken van de inkoopwaarde en is zo uitgekomen op een waardevaststelling in beschadigde staat van € 26.762. In de aangifte is hiervan uitgegaan. De Inspecteur heeft, naar aanleiding van de ontvangen aangifte, op 19 mei 2016 laten weten dat belanghebbende krachtens artikel 8, derde lid, van de Uitvoeringsregeling BPM, eerst de essentiële gebreken moet herstellen, voordat een waardevermindering volgens artikel 10 van de Wet BPM kan plaatsvinden. Met dagtekening 1 juni 2016 heeft de Inspecteur de onderhavige naheffingsaanslag opgelegd. De verschuldigde BPM is vastgesteld op € 7.623, uitgaande van de inkoopwaarde in onbeschadigde staat van € 43.776, zonder vermindering. Na betaling daarvan heeft de Inspecteur aan de RDW een zogenoemd fiscaal akkoord afgegeven. Belanghebbende heeft de auto hersteld, met onder meer reparatie van de eerder geconstateerde essentiële gebreken. Vervolgens heeft de RDW op 9 augustus 2016 het kenteken gezet op naam van belanghebbende. Belanghebbende is tegen de naheffingsaanslag tevergeefs opgekomen in beroep en hoger beroep. Thans heeft belanghebbende zes cassatiemiddelen gericht tegen de uitspraak van het Hof, die volgens de A-G alle falen. In zijn eerste middel stelt belanghebbende dat het Hof heeft miskend dat het aanslagnummer, dat in casu op het aanslagbiljet ontbreekt, een essentieel onderdeel vormt van een naheffingsaanslag. Het ontbreken daarvan zou de naheffingsaanslag nietig maken. De A-G merkt daarentegen op dat dit niet in overeenstemming is met de beslissing van de Hoge Raad dat zolang de naam van de belastingschuldige is vermeld op het aanslagbiljet, evenals de termijn waarbinnen moet worden betaald, het bedrag van de aanslag en de plaats van betaling, voldaan is aan de wettelijke vereisten van het aanslagbiljet. In casu is de naheffingsaanslag opgelegd op 1 juni 2016 en de voldoening conform aangifte heeft nadien plaatsgevonden op 2 juni 2016. Het tweede middel houdt in dat die eerdere oplegging een schending oplevert van artikel 20 van de AWR, doordat het Hof heeft beslist dat de Inspecteur kan naheffen voordat belanghebbende de volgens zijn aangifte verschuldigde belasting heeft voldaan. Belanghebbende bepleit dat het niet mogelijk is om een naheffingsaanslag op te leggen voordat belanghebbende in de gelegenheid is gesteld om de volgens de aangifte verschuldigde BPM te voldoen. Die stelling acht de A-G, gezien de wetssystematiek, onjuist. In het derde middel wordt erover geklaagd dat het Hof op onjuiste gronden, dan wel onvoldoende gemotiveerd, heeft beslist dat de Inspecteur het fiscaal akkoord - en per consequentie de afgifte van het kenteken - mag weigeren zolang een belastingplichtige de naheffingsaanslag nog niet heeft voldaan. Daarin volgt de A-G belanghebbende niet. In het vierde middel stelt belanghebbende dat op grond van artikel 110 VWEU de werkelijke waarde van een personenauto leidend is ter bepaling van de verschuldigde BPM, waarbij de waardevermindering als gevolg van essentiële gebreken niet uitgesloten mag worden. De A-G merkt daarentegen op dat de strekking van artikel 110 VWEU enkel is om te voorkomen dat producten van een andere lidstaat worden onderworpen aan een zwaardere heffing dan nationale producten. Dat doet zich in casu volgens de A-G niet voor. In het vijfde middel stelt belanghebbende dat het vereiste van het eerst herstellen van essentiële gebreken, ten onrechte niet in overeenstemming is met het in aanmerking nemen van de werkelijke waardeontwikkeling van de auto tijdens de levensduur. De A-G stelt daar tegenover dat de wetgever heeft willen verbieden dat een auto met essentiële gebreken geregistreerd zou kunnen worden in het kentekenregister. Daarvoor gelden de wettelijke regelingen van eerst herstellen en daarna registreren. In dit kader moet de individueel herberekende waarde zijn berekend en moet de verschuldigde BPM voldaan zijn. Het zesde middel behelst dat er ten onrechte geen rekening gehouden is met de geleden schade bij registratie van de auto in het kentekenregister om reden dat de auto op het moment van de tenaamstelling reeds hersteld was. De A-G merkt op dat voor registratie slechts vereist was reparatie van de geconstateerde essentiële gebreken. Belanghebbende heeft er echter voor gekozen de auto volledig te laten repareren voorafgaand aan de registratie. Bij die toestand sluit de waardebepaling aan. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond dient te worden verklaard.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- Hof 's-Hertogenbosch 16 januari 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:127
- HR 13 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:1951
- Hof Amsterdam 8 januari 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:87
- HR 21 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1695
- Rb. Zeeland-West-Brabant 24 augustus 2018, ECLI:NL:RBZWB:2018:5028
- HR 10 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:2822
- HR 12 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:847
- Hof Arnhem-Leeuwarden 12 januari 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:127
- HR 30 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:143
- HR 28 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:64
- Conclusie A-G VAN HILTEN 5 oktober 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BY1258
- HR 2 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV7393
- HR 30 september 1998, ECLI:NL:HR:1998:AA2304
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2010:312
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2011:219
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2013:756
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2013:857
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2018:275