Conclusie A-G IJzerman 8 december 2016, ECLI:NL:PHR:2016:1255

A-G IJzerman heeft conclusie genomen naar aanleiding van het beroep in cassatie van het college van Burgemeesters en Wethouders van de gemeente Goeree-Overflakkee tegen de uitspraak van het gerechtshof te Den Haag van 23 maart 2016, nr. 16/02411, ECLI:NL:GHDHA:2016:819. Belanghebbende is eigenaar van een bungalowpark, omvattende een groot perceel grond, de daarop aangelegde infrastructuur en de daarop gebouwde eigendommen, waaronder 181 recreatiewoningen, een ontvangstgebouw, een taveerne, een spartelbad en een tennisveld. De Heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende, als riool-eigenaar, voor het jaar 2013, vervat in één geschrift, 181 aanslagen in de rioolheffing opgelegd op grond van de Verordening op de heffing en invordering van de rioolheffing 2013, ad € 212 per aanslag. In geschil is of de 181 recreatiewoningen deel uitmaken van een in artikel 16, aanhef en onder e, van de WOZ genoemde onroerende zaak, te weten één terrein dat naar de omstandigheden beoordeeld bestemd is voor verblijfsrecreatie en als zodanig wordt geëxploiteerd. Volgens artikel 6 van de Verordening is het tarief van de rioolbelasting voor een perceel dat deel uitmaakt van een in artikel 16, onder e, van de WOZ bedoelde onroerende zaak, per perceel € 142, hetgeen lager is dan het door de Heffingsambtenaar toegepaste tarief van een perceel dat een woning is, zijnde € 212. Tussen partijen is niet in geschil dat het bungalowpark is aan te merken als een geheel van gedeelten van eigendommen dat naar de omstandigheden beoordeeld één terrein vormt dat is bestemd voor verblijfsrecreatie. Wat partijen verdeeld houdt is de vraag of het bungalowpark ‘als zodanig wordt geëxploiteerd’. Volgens de Heffingsambtenaar is dit niet het geval, volgens belanghebbende wel. De Rechtbank heeft geoordeeld dat in dit geval geen sprake is van het exploiteren als zodanig van het bungalowpark door belanghebbende. Daartoe heeft de Rechtbank beslissend geacht dat de activiteiten van belanghebbende bestaan uit het beheer van onroerend goed en het behartigen zonder winstoogmerk van de gemeenschappelijke belangen van haar leden, alsmede dat een eventuele winst bij verkoop van een recreatiewoning aan de verkoper ten goede komt. Blijkbaar moet er volgens de Rechtbank bij de eigenaar sprake zijn van een winststreven om te kunnen oordelen dat een recreatieterrein wordt ‘geëxploiteerd’. Het Hof heeft de Rechtbank niet in dit oordeel gevolgd. In artikel 16, aanhef en onderdeel e, van de WOZ is de reikwijdte van de woorden ‘als zodanig wordt geëxploiteerd’ volgens het Hof niet beperkt tot exploitatie met winstoogmerk. Zou de wetgever een dergelijke beperking hebben gewild dan zou hij dat, naar het oordeel van het Hof, tot uitdrukking hebben gebracht door in die bepaling de kwalificatie ‘met winstoogmerk’ of ‘bedrijfsmatig’ op te nemen, zoals dat wel is gedaan in de tekst van de bepalingen over de waarderingsuitzondering voor cultuurgrond; of door in de parlementaire toelichting bij de invoering van artikel 16, aanhef en onderdeel e, van de WOZ uiteen te zetten dat hij met de woorden ‘als zodanig wordt geëxploiteerd’ uitsluitend het oog heeft op bedrijfsmatige exploitatie/exploitatie met winstoogmerk. Nu de wetgever dat heeft nagelaten volstaat exploitatie in welke vorm dan ook om te voldoen aan het vereiste dat een recreatieterrein ‘als zodanig wordt geëxploiteerd’. Aldus het Hof, dat deswege elk van de aanslagen heeft verminderd tot op € 142. Het College komt tegen de Hofuitspraak thans op in cassatie onder aanvoering van één middel, waarin ’s Hofs oordeel wordt bestreden dat het bungalowpark kan worden aangemerkt als één terrein voor verblijfsrecreatie dat ‘als zodanig wordt geëxploiteerd’. De A-G merkt ten eerste op dat in het middel niet wordt bestreden de vaststelling van het Hof dat tussen partijen niet in geschil is dat het bungalowpark een geheel van twee of meer eigendommen, gedeelten daarvan of samenstellen van (gedeelten van) eigendommen is dat naar de omstandigheden beoordeeld één terrein vormt. Ten tweede merkt de A-G op dat in het middel evenmin wordt bestreden ’s Hofs oordeel dat de woorden ‘als zodanig wordt geëxploiteerd’ zien op elke vorm van exploitatie, al dan niet met winstoogmerk. Overigens meent de A-G dat dit oordeel op grond van de wetsgeschiedenis juist te achten is. Aldus is er in casu sprake van één eigenaar van het bungalowpark, namelijk belanghebbende, en staat vast dat er in casu objectief sprake is van exploitatie, afgezien van de vraag wie wat exploiteert. Het College heeft aangevoerd dat de op het bungalowpark gelegen recreatiewoningen door de leden zelf individueel en voor hun eigen rekening worden geëxploiteerd. Hierbij wijst het College onder andere op de omstandigheid dat de leden elk een levenslang en persoonlijk gebruiksrecht hebben van een recreatiewoning. Hieruit zou in de zienswijze van het College volgen dat het niet belanghebbende is die het recreatieterrein als zodanig heeft geëxploiteerd. De A-G meent daarentegen dat het er om gaat dat kan worden vastgesteld dat er sprake is van één recreatieterrein dat objectief bezien als zodanig wordt geëxploiteerd. Er geldt naar zijn mening geen (subjectief) vereiste dat het de eigenaar van het terrein zelf moet zijn die de exploitatie volledig uitvoert, met inbegrip van de exploitatie van de afzonderlijke recreatiewoningen. Aldus faalt het middel. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Goeree-Overflakkee ongegrond dient te worden verklaard.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken