Rb. Den Haag 26 februari 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:1566
Erflaatster heeft beschikt over een rekening bij de UBS bank in Zwitserland. Erflaatster heeft in haar aangiften IB/PVV voor de jaren 2001 tot en met 2003 geen vermogensbestanddelen opgenomen die betrekking hebben op een rekening bij de UBS bank. Verweerder heeft volgens de regels van normale bewijslastverdeling aannemelijk gemaakt dat de navorderingsaanslagen terecht en niet tot te hoge bedragen zijn vastgesteld. Met hetgeen verweerder heeft overgelegd en aangevoerd heeft hij aannemelijk gemaakt dat in alle in geschil zijnde jaren vermogen aanwezig moet zijn geweest op de UBS bankrekening van erflaatster. Met wat eisers hebben aangevoerd, hebben zij naar het oordeel van de rechtbank het tegendeel niet aannemelijk gemaakt. Gezien de omvang van het in juli 2004 aanwezige vermogen, acht de rechtbank ook de hoogte van de door verweerder gehanteerde correcties in alle in geschil zijnde jaren aannemelijk.
De uitspraak op rechtspraak.nl