Conclusie A-G Spronken 1 oktober 2019, ECLI:NL:PHR:2019:961
Conclusie AG, naar aanleiding van een te laat ingediende cassatieschriftuur, over de vraag of uitreiking van de aanzegging ex art. 435.1 Sv aan de in Spanje woonachtige verdachte door rechtstreekse verzending per post (art. 588.2 Sv) in overeenstemming is met art. 5 van de EU-Rechtshulpovereenkomst. De AG adviseert de HR het cassatieberoep niet-ontvankelijk te verklaren. De AG merkt in dit verband op dat uit ECLI:NL:HR:2012:BX4491 volgt dat verzending van gerechtelijke stukken per post niet aangetekend behoeft te geschieden (opdat men een track-and-trace code kan ontvangen) en dat de stelling dat verdachte de aanzegging niet heeft ontvangen niet met feitelijke gegevens wordt gestaafd (vgl. ECLI:NL:HR:2019:17). Het arrest ‘Maresti tegen Kroatië’, waarin ERHM o.g.v. de bijzondere omstandigheden van het geval oordeelde dat de niet-ontvankelijkheidsbeslissing op louter de formele grond dat het herzieningsverzoek niet binnen de termijn was ingediend, strijd opleverde met het art. 6 EVRM, leidt volgens de AG niet tot een ander oordeel. Tot slot bestaat er volgens de AG geen onduidelijkheid over de strekking van art. 5 EU-rechtshulpovereenkomst zodat er ook geen aanleiding is om, zoals wordt verzocht, op dit punt prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie EU.
De uitspraak op rechtspraak.nl