Conclusie A-G IJzerman 23 juli 2019, ECLI:NL:PHR:2019:787

Toepassing van de regeling voor teruggaaf van bpm bij export, nadat bij eerdere import geen bpm was betaald door een vorige eigenaar. A-G IJzerman heeft conclusie genomen naar aanleiding van het beroep in cassatie van belanghebbende tegen de uitspraak van Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 3 oktober 2018 met nummer 17/00356 (ECLI:NL:GHARL:2018:5718). Het gaat om de toepassing van de regeling voor teruggaaf van bpm bij export, ingevolge artikel 14a van de Wet bpm 1992. Belanghebbende, handelaar in gebruikte auto’s, is een opvolgende eigenaar van de onderhavige auto. Zij heeft in september 2014 teruggaaf van € 7.185 aan bpm verzocht vanwege de export van de auto naar Duitsland en registratie in het kentekenregister aldaar. De auto was eerder door vorige opvolgende eigenaren geëxporteerd en vervolgens weer geïmporteerd. De ter zake van die import aangegeven bpm was door de desbetreffende vorige eigenaar niet betaald. Daarom heeft de Inspecteur geweigerd aan belanghebbende bpm terug te geven wegens export naar Duitsland. De RDW heeft aan de importeur een kentekenbewijs afgegeven, ofschoon de algemeen gebruikelijke procedure is dat de RDW zulks alleen doet na een ‘fiscaal akkoord’ van de Belastingdienst, dat de verschuldigde bpm is betaald. De A-G merkt daarentegen op dat in dit specifieke geval van tweede export, ingevolge de bestaande regelgeving, de niet-betaling van bpm geen grond vormt om een tenaamstelling te weigeren. Belanghebbende betoogt dat het hele stelsel van heffing en teruggaaf van bpm moet worden getoetst aan artikel 110 VwEU. Daarnaast zou volgens het in strijd met artikel 110 VwEU weigeren van teruggaaf een onverenigbare inbreuk van het door artikel 1 EP EVRM gewaarborgde eigendomsrecht opleveren. De A-G meent dat beperkingen van teruggaaf van bpm niet snel in strijd met artikel 110 VwEU zullen zijn. Waar dat volgens de A-G wel een punt kan zijn, is ingeval zich bij het terugvragen van bpm voor eerder geïmporteerde gebruikte voertuigen belemmeringen voordoen die niet spelen bij auto’s die slechts in Nederland geregistreerd zijn geweest. Dat zou immers wel degelijk meer bpm-druk tot gevolg kunnen hebben voor geïmporteerde voertuigen. Te denken valt in het bijzonder aan het (blijven) weigeren van teruggaaf van bpm die ter zake van de eerdere import weliswaar niet tijdig, maar uiteindelijk toch is betaald. Een situatie die zich niet kan voordoen in zuiver binnenlandse verhoudingen. In casu is er een processuele beperking. De A-G merkt op dat getoetst moet worden naar de stand van zaken op het moment van doen van uitspraak op bezwaar. Op dat moment had de vorige eigenaar nog geen euro overmaakt van de op aangifte aangegeven en nageheven bpm. Op de gedeeltelijke betaling/voldoening door de tweede eigenaar na de uitspraak op bezwaar kan daarom in deze procedure geen acht worden geslagen. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond dient te worden verklaard.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken