Conclusie A-G Keulen 2 april 2019, ECLI:NL:PHR:2019:751

Witwassen, art. 420bis Sr. HR herhaalt de in ECLI:NL:HR:2018:2352 gegeven samenvatting van zijn eerdere rechtspraak over bestanddeel “afkomstig is uit enig misdrijf”. 1. Klacht over ’s Hofs vaststelling dat “er (...) vanaf 2008 kennelijk geen vermogen was”, waarmee zou zijn voorbijgegaan aan hetgeen verdachte onder overlegging van bescheiden heeft gesteld omtrent de gelden die legaal zijn verkregen voorafgaand aan de bewezenverklaarde periode en die nadien zijn aangewend voor stortingen op de in de bewezenverklaring vermelde bankrekeningen. 2. Klacht dat Hof zonder nadere motivering is voorbijgegaan aan hetgeen namens verdachte is aangevoerd – ter verklaring van de herkomst van de in bewezenverklaring bedoelde geldbedragen – omtrent (a) het doen van stortingen op de in bewezenverklaring vermelde bankrekeningen van contante gelden, en (b) stortingen van contante gelden die daaraan voorafgaand waren onttrokken aan ondernemingen van verdachte en/of zijn echtgenote. Ad 1. In ’s Hofs – door HR samengevat weergegeven – vaststellingen ligt als ’s Hofs oordeel besloten dat met het enkel aanwijzen van de legale verkrijging van gelden door verdachte in een tijdvak (ruim) voor de aanvang van de bewezenverklaarde periode niet een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring is gegeven dat de in de bewezenverklaring bedoelde geldbedragen die tijdens de bewezenverklaarde periode contant zijn gestort niet van misdrijf afkomstig zijn, en dat ook anderszins niet de aanwezigheid van (legaal) vermogen bij aanvang van de bewezenverklaarde periode is gebleken waaruit deze contante stortingen (kunnen) worden verklaard. Het Hof heeft daarbij in aanmerking genomen dat, enerzijds, administratie of documentatie ontbreekt terwijl verdachte geen nadere onderbouwing of toelichting heeft gegeven met betrekking tot contante geldstromen leidend tot contante stortingen op de in de bewezenverklaring vermelde bankrekeningen en dat, anderzijds, uit de resultaten van het onderzoek naar, kort gezegd, de fiscale aangiftes door verdachte en zijn echtgenote over de bewezenverklaarde periode, naar voren komt dat verdachte daarin telkens geen vermogen heeft opgegeven en dat ook overigens niets is verantwoord met betrekking tot “kennelijk tussen de fiscale peildata opduikende en weer verdwijnende contante vermogens”, zodat aangenomen moet worden dat er vanaf 2008 geen (legaal) vermogen was waaruit de contante stortingen kunnen worden verklaard. Gelet hierop is ’s Hofs oordeel niet onbegrijpelijk, zodat de klacht faalt. Ad 2. De klacht faalt, nu de redenen die ertoe hebben geleid dat het Hof is afgeweken van hetgeen omtrent deze stortingen is aangevoerd, besloten liggen in ’s Hofs overwegingen over het niet inzichtelijk geworden verloop van de contante geldstromen voorafgaand en ook tijdens de bewezenverklaarde periode, op grond waarvan het Hof heeft geoordeeld dat verdachte niet een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven dat de in de bewezenverklaring bedoelde geldbedragen niet van misdrijf afkomstig zijn. Middel faalt in zoverre. Volgt verwerping. CAG: anders.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken