Conclusie A-G IJzerman 26 juni 2019, ECLI:NL:PHR:2019:708
Navordering wegens niet aangegeven fictieve vervreemding van een aanmerkelijk belang bij overlijden. Onderzoeksplicht op basis van bekende gegevens, ambtelijk verzuim. Gebruik van gegevens uit de parallelle zaak mogelijk? A-G IJzerman heeft conclusie genomen naar aanleiding van het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van Gerechtshof Den Haag van 7 augustus 2018, nr. BK-18/00503, ECLI:NL:GHDHA:2018:2026. De Inspecteur heeft aan belanghebbende een navorderingsaanslag IB/PVV 2010 opgelegd vanwege een niet aangegeven voordeel uit een fictieve vervreemding van een aanmerkelijk belang bij overlijden van wijlen haar echtgenoot. In deze navorderingsaanslag is de helft van het belastbare inkomen in aanmerking genomen. Voor de andere helft is een navorderingsaanslag opgelegd aan de erven van de echtgenoot. Zij zijn belanghebbenden in de parallelle zaak met nummer 18/03850. De erflater is tot zijn overlijden in december 2010 in gemeenschap van goederen gehuwd geweest met belanghebbende. Zij was op dat moment enig aandeelhouder van een BV. In de aangiften IB/PVV 2010 van de erflater en belanghebbende (de echtgenote) is vermeld dat ook de erflater heeft deelgenomen in alle geplaatste aandelen in de BV. In de aangiften IB/PVV 2010 van de erflater en de echtgenote is geen voordeel uit een (fictieve) vervreemding van aanmerkelijkbelangaandelen aangegeven. Het overlijden van de erflater is alleen in zijn eigen aangifte IB/PVV vermeld. Daarvoor is een F-biljet gebruikt (een biljet voor aangifte in het jaar van overlijden). In elk geval in deze aangifte is melding gemaakt van een aanmerkelijk belang in de BV. In de aangiften is geopteerd voor fiscaal partnerschap voor het gehele jaar 2010. De aangiften IB/PVV 2010 van de erflater en de echtgenote zijn gelijktijdig ingediend, omstreeks 15 december 2011, en daarna ook gelijktijdig geautomatiseerd afgedaan. Op 19 januari 2012 heeft de Inspecteur een aanslag IB/PVV 2010 aan belanghebbenden (de erven) opgelegd die is vastgesteld conform de ingediende aangifte. Nadien heeft de belastingdienst een landelijk onderzoek gedaan naar ten onrechte bij overlijden niet aangegeven fictief voordeel uit aanmerkelijk belang. Ten gevolge daarvan heeft de Inspecteur aan belanghebbende de onderhavige navorderingsaanslag opgelegd voor een ten onrechte niet in de aangifte en aanslag IB/PVV 2010 opgenomen vervreemdingsvoordeel ex artikel 4:16, eerste lid, onderdeel e, van de Wet inkomstenbelasting 2001. Belanghebbende betwist de aanwezigheid van een voor navordering vereist nieuw feit en beroept zich op ambtelijk verzuim van de Inspecteur, door verzaken van zijn onderzoeksplicht. Naar ’s Hofs oordeel bestond in casu gezien de omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, ruim voldoende aanleiding voor nader onderzoek door de Inspecteur in het kader van de aanslagregeling, onder meer naar het huwelijksvermogensregime voor wat betreft de aandelen in de BV. Het Hof heeft belanghebbenden in het gelijk gesteld en heeft de navorderingsaanslag vernietigd. Naar aanleiding van het beroep in cassatie van de Staatssecretaris merkt de A-G het volgende op. Het komt de A-G voor dat er hier inderdaad ten tijde van de aanslagoplegging zodanige omstandigheden bekend waren dat die, ook bezien in onderling verband, de Inspecteur aanleiding hadden moeten geven tot nader onderzoek naar de vraag of hier wellicht sprake zou kunnen zijn van een voordeel uit fictieve vervreemding van een aanmerkelijk belang. In feitelijk opzicht gaat het om de omstandigheden door het Hof genoemd in r.o. 7.6, waaronder met name bekendheid met het bestaande fiscaal partnerschap en met de aanwezigheid van het aanmerkelijk belang. Daaraan kan volgens de A-G niet afdoen het verweer dat de Inspecteur niet bekend was met de huwelijksgemeenschap en dat de aangifte mede in verband daarmee toch juist had kunnen zijn. Het komt de A-G voor dat dit nu juist had moeten worden onderzocht. In het licht van de bij de Inspecteur als aanwezig veronderstelde kennis van de feiten kan deze, naar het de A-G voorkomt, in casu de constatering van een ambtelijk verzuim niet afweren met het argument dat de niet onwaarschijnlijke mogelijkheid bestaat dat het voordeel uit aanmerkelijk belang in de aangifte van de fiscale partner (de erflater) is verantwoord. Die feiten hadden hem naar volgens de A-G aanleiding moeten geven onderzoek naar die mogelijkheid te doen in het dossier van de partner. Wat in deze procedure, anders dan in de parallelle procedure van de erven van de overleden echtgenoot, ontbreekt is een overlijdensaangifte. De aangifte voor de erfbelasting staat buiten het inkomstenbelastingdossier en mag in dit kader niet te worden meegenomen. Dat kan de vraag oproepen of indien alleen wordt uitgegaan van (de feiten in) deze procedure een ambtelijk verzuim aanwezig is. Het ontmoet volgens de A-G geen bezwaar de onderzoeksplicht uit de parallel zaak, waarin het feit van overlijden bekend was, door te trekken naar deze zaak. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van Staatssecretaris van Financiën ongegrond dient te worden verklaard.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- Hof Amsterdam 20 december 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:4913
- HR 21 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1699
- Hof Den Haag 7 augustus 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:2025
- Hof Den Haag 7 augustus 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:2026
- HR 15 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:797
- Rb. Den Haag 7 maart 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:2806
- Conclusie A-G IJzerman 20 februari 2018, ECLI:NL:PHR:2018:180
- Hof 's-Hertogenbosch 6 oktober 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:4291
- HR 21 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:638
- HR 17 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:249
- Conclusie A-G Wattel 25 augustus 2016, ECLI:NL:PHR:2016:897
- HR 4 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:353
- HR 12 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1515
- HR 8 augustus 2014, ECLI:NL:HR:2014:2150
- HR 31 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX7184
- HR 16 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ9082
- HR 12 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL7165
- Hof 's-Gravenhage 26 oktober 2004, ECLI:NL:GHSGR:2004:AR5377
- HR 24 mei 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE3165
- HR 6 juni 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2890