Conclusie A-G IJzerman 20 februari 2018, ECLI:NL:PHR:2018:180
A-G IJzerman heeft conclusie genomen naar aanleiding van het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 7 maart 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:2186. Deze procedure heeft betrekking op de vraag of de onderhavige navorderingsaanslag ingevolge artikel 16, tweede lid, aanhef en onderdeel c, van de AWR kan worden opgelegd. Belanghebbende heeft aangifte IB/PVV over het jaar 2010 gedaan naar een belastbaar inkomen van nihil. Nadien heeft belanghebbende een gewijzigde aangifte over dat jaar ingediend naar een negatief belastbaar inkomen uit werk en woning, waarbij hij heeft aangegeven recht te hebben op onder meer de zelfstandigenaftrek, hetgeen ervoor zorgde dat door het aangifteprogramma automatisch de inkomensafhankelijke combinatiekorting (de iack) werd aangekruist. Het computersysteem van de Belastingdienst heeft de gewijzigde aangifte uitgeworpen onder vermelding van het risico dat mogelijk ten onrechte ondernemingsfaciliteiten werden geclaimd. Naar aanleiding hiervan heeft de Inspecteur belanghebbende enkele vragen gesteld over de onderneming. De Inspecteur heeft de aanslag IB/PVV over het jaar 2010 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van nihil, waarbij de zelfstandigenaftrek niet is verleend en de heffingskortingen zijn vastgesteld op € 2.762, bestaande uit de algemene heffingskorting (€ 1.987) en de iack (€ 775). In 2014 is de Belastingdienst er achter gekomen dat in de jaren 2008 tot en met 2012 bij vele belastingplichtigen de iack ten onrechte is toegekend; waaronder bij belanghebbende. Met dagtekening 26 juli 2014 heeft de Inspecteur daarom een navorderingsaanslag over het jaar 2010 opgelegd, waarbij de iack is gecorrigeerd. Het staat in casu vast dat de fout, die de Inspecteur door middel van navordering heeft willen herstellen, eruit bestaat dat de werknemer van de Belastingdienst die de correctie op de zelfstandigenaftrek heeft doorgevoerd, abusievelijk heeft verzuimd ook de iack te corrigeren. Het Hof heeft geoordeeld dat hier sprake is van een aan navordering in de weg staande beoordelingsfout en heeft de navorderingsaanslag vernietigd. Daarbij heeft het Hof overwogen dat de vraag of recht bestaat op de iack direct samenhangt met het recht op zelfstandigenaftrek, zijnde de reden van de uitworp, zodat ook de vraag of recht bestaat op de iack valt binnen een onderzoek naar de uitworpreden. In het cassatiemiddel van de Staatssecretaris wordt bestreden dat hier sprake is van een beoordelingsfout, nu hier sprake is van een fout zonder dat er sprake was van een expliciete beoordeling. De A-G merkt dienaangaande op dat het niet zo is dat pas indien een aangifte of een relevant deel daarvan in feite is beoordeeld en in dit kader (achteraf bezien) gebleken is van een onjuist inzicht in de feiten en/of het recht, alleen zo een feitelijke (maar onjuist gebleken) beoordeling aan navordering in de weg kan staan. Er is immers, naar de A-G meent, ook de normatieve vraag of een bepaalde situatie aanleiding had moeten geven tot beoordeling, gezien de bij de aanslagregeling te betrachten zorgvuldigheid. Ook als een beoordeling ten onrechte achterwege is gebleven, kan dat volgens de A-G aan navordering in de weg staan. Bij de invoering van artikel 16, tweede lid, onderdeel c, van de AWR is in de parlementaire geschiedenis aangegeven dat niet elke aangifte door de Inspecteur wordt onderzocht en beoordeeld, dat gebruik wordt gemaakt van ICT en dat automatiseringsfouten onder ‘fout’ in de zin van het nieuwe wetsonderdeel vallen. Dit houdt volgens de A-G niet in dat indien een aangifte wél door de Inspecteur wordt bekeken, zonder meer kan worden volstaan met gedeeltelijke beoordeling van de aangifte, terwijl de beoordeling overigens wordt overgelaten aan het computersysteem. In de parlementaire geschiedenis is erop gewezen dat de Inspecteur het zorgvuldigheidsbeginsel in acht moet blijven nemen. Dat brengt met zich mee dat indien de Inspecteur, nadat hij met een normale zorgvuldigheid kennis heeft genomen van de inhoud van een aangifte, aan de juistheid van enig daarin opgenomen gegeven in redelijkheid behoort te twijfelen, tot een nader onderzoek is gehouden. De A-G is van mening dat de rol van het systeem in casu eindigde na de uitwerping. Daarna is er iets fout gegaan bij de (verdere) handmatige beoordeling van de aangifte. Aldus is er in casu zijns inziens geen sprake van een fout ten gevolge van de geautomatiseerde verwerking van de aangifte van belanghebbende. Het Hof is gekomen tot het oordeel dat er in casu sprake is van een beoordelingsfout van de Inspecteur. Daarbij heeft het Hof in aanmerking genomen dat de aangifte na correctie van de zelfstandigenaftrek, alle informatie bevatte om tot een juiste vaststelling van de aanslag te kunnen komen en dat het bij een zorgvuldig kennisnemen van de aangifte direct duidelijk zou zijn geweest dat geen recht bestond op de iack. Dat is volgens de A-G een feitelijk oordeel dat niet onbegrijpelijk voorkomt. Daarbij tekent de A-G aan dat de bepalende feiten aan de Inspecteur bekend moeten zijn geweest, ook gezien de aangebrachte correcties van de zelfstandigenaftrek en de belastbare winst uit werk en woning. Overigens meent de A-G dat het Hof niet gehouden was te expliciteren of de gemaakte beoordelingsfout berust op een verkeerd inzicht in de feiten of in het recht (dan wel beide), aangezien een van beide al voldoende reden is om te spreken van een gemaakte beoordelingsfout. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van Staatssecretaris van Financiën ongegrond dient te worden verklaard.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- Hof 's-Hertogenbosch 6 oktober 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:4320
- Hof Arnhem-Leeuwarden 7 maart 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:2186
- HR 17 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:249
- Hof Amsterdam 31 mei 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:3335
- Rb. Zeeland-West-Brabant 26 februari 2016, ECLI:NL:RBZWB:2016:1041
- Rb. Noord-Holland 4 september 2015, ECLI:NL:RBNHO:2015:7355
- HR 12 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1515
- HR 27 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1527
- HR 27 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1528
- HR 27 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1529
- Hof Arnhem-Leeuwarden 3 december 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:9173
- Hof Den Haag 6 maart 2013, ECLI:NL:GHDHA:2013:BZ8215
- HR 16 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ9082
- Conclusie A-G VAN BALLEGOOIJEN 16 april 2010, ECLI:NL:PHR:2010:BJ9082
- HR 5 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1973
- HR 7 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA9393
- HR 7 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB3465
- HR 9 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX7360
- HR 2 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX6375
- HR 25 februari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS7932