Conclusie A-G Knigge 28 mei 2019, ECLI:NL:PHR:2019:575

Vordering AG tot cassatie in het belang der wet. De vordering richt zich tegen een beschikking van de rechtbank Noord-Nederland van 23 mei 2018, ECLI:NL:RBNNE:2018:1986. Centraal in de vordering staat de functie die tegenwoordig aan art. 36 Sv moet worden toegekend. Het artikel voorziet in de mogelijkheid dat de raadkamer van de rechtbank verklaart dat de zaak is geëindigd. De AG legt de volgende drie samenhangende vragen aan de Hoge Raad voor: (1) Kan art. 36 Sv toepassing vinden in zaken waarin de officier van justitie (nog) geen rechter in de zaak heeft betrokken? (2) Kan art. 36 Sv toepassing vinden als het onderzoek op de terechtzitting al een aanvang heeft genomen? (3) Kan een overschrijding van de redelijke termijn grond opleveren voor de toepassing van art. 36 Sv? De AG beantwoordt de eerste vraag bevestigend, de tweede en derde vraag echter ontkennend. Daarom vordert hij dat de Hoge Raad de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland in het belang der wet zal vernietigen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken