HR 22 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:89
Bezwaarschrift tegen dagvaarding, art. 262 Sv. Beoordelingskader raadkamer. Dagvaarding t.z.v. ronselen voor gewapende strijd en voorbereiden/bevorderen terroristisch misdrijf. OM n-o in vervolging i.v.m. vertrouwensbeginsel omdat in e-mail technisch sepot in vooruitzicht is gesteld? Onderzoek in raadkamer n.a.v. bezwaarschrift tegen dagvaarding draagt summier karakter. Wanneer in zaken als deze op art. 262.5 Sv gegrond verweer wordt gevoerd dat ertoe strekt dat OvJ n-o is in vervolging dan wel onvoldoende aanwijzing van schuld aanwezig is dan wel feit of verdachte niet strafbaar is, is raadkamer verplicht zich over doeltreffendheid verweer uit te laten, zulks met inachtneming van evenbedoeld summier karakter van het onderzoek. In aanmerking genomen dat later oordelende strafrechter (zittingsrechter) niet is gebonden aan oordeel raadkamer n.a.v. verwerping van zo’n verweer, kan aan dat oordeel voorlopig karakter niet worden ontzegd. Dat klemt temeer wanneer oordeel raadkamer verweven is met waarderingen van feitelijke aard. Dan geldt als maatstaf of hoogst waarschijnlijk is dat zittingsrechter aan verweer mede ten grondslag gelegde f&o aannemelijk zal oordelen. Summier karakter onderzoek noopt tot terughoudende toepassing van die maatstaf door raadkamer aangezien rekening moet worden gehouden met mogelijkheid dat zittingsrechter tot andere feitelijke waardering komt. In art. 167.1 Sv is aan OM bevoegdheid toegekend zelfstandig te beslissen of vervolging moet plaatsvinden. Een bij verdachte o.g.v. mededeling van OM (of aan OM toe te rekenen mededeling) opgewekt vertrouwen dat hij niet (verder) zal worden vervolgd, kan alleen leiden tot n-o verklaring indien vertrouwen in gegeven omstandigheden gerechtvaardigd is (vgl. ECLI:NL:HR:2015:2982). ’s Hofs oordeel dat verdachte niet gerechtvaardigd mocht vertrouwen dat hij niet zou worden vervolgd, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Volgt verwerping.
De uitspraak op rechtspraak.nl