Conclusie A-G IJzerman 18 december 2019, ECLI:NL:PHR:2019:1357

Het gaat om het principale beroep in cassatie van de Staatssecretaris en het incidentele beroep in cassatie van belanghebbende tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 8 januari 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:21 en tevens om de twee samenhangende zaken. Belanghebbende heeft in 2015 twee schenkingen ontvangen van zijn moeder. De eerste schenking (€ 5.000) geschiedde op 31 maart 2015 en de tweede schenking (€ 80.000) op 23 december 2015. Over deze twee schenkingen in hetzelfde jaar (in totaal € 85.000) is een aanslag schenkbelasting opgelegd van € 7.972 (€ 85.000 -/- € 5.277 * 10%). De moeder van belanghebbende, erflater, is op 20 april 2016 overleden. Belanghebbende heeft uit de nalatenschap een bedrag van € 25.358 ontvangen. De schenking van € 80.000 is door de Inspecteur als fictieve verkrijging meegenomen in de berekening van de aanslag erfbelasting, omdat de schenking binnen 180 dagen voor het overlijden is gedaan. De in aanmerking genomen verkrijging werd aldus totaal € 105.358, te verminderen met de kindvrijstelling ad € 20.148 tot een belaste verkrijging van € 85.210. De Inspecteur heeft een aanslag in de erfbelasting opgelegd aan belanghebbende, naar een belaste verkrijging van € 85.210, en een te betalen bedrag aan erfbelasting van 10%, zijnde € 8.521. De Inspecteur heeft de aanslag erfbelasting ambtshalve verminderd met een bedrag van € 6.470 aan schenkbelasting. De door de Inspecteur toegepaste evenredige verrekening is naar de mate waarin het geschonken bedrag krachtens fictie deel uitmaakt van de totale erfrechtelijke verkrijging, aldus berekend: (80.000 / 105.358) * € 8.521 = € 6.470. In bezwaar heeft belanghebbende de Inspecteur tevergeefs verzocht het gehele bedrag van de geheven schenkbelasting ad € 7.972 te verrekenen. In hoger beroep heeft het Hof, anders dan de Rechtbank, de door de Inspecteur toegepaste evenredige verrekening niet juist geacht. In zoverre heeft het Hof belanghebbende dus in het gelijk gesteld. Daartoe heeft het Hof overwogen dat indien de wettekst van het tweede lid van artikel 7 van de SW, reden zou geven voor twijfel over de wijze waarop de vermindering van erfbelasting moet worden berekend, er aanleiding zou zijn om na te gaan wat het doel en de strekking van die regeling inhouden. Naar het oordeel van het Hof zijn de bewoordingen van de tekst van artikel 7, lid 2, van de SW, evenwel niet voor twijfel vatbaar: immers ongeclausuleerd is daarin bepaald dat de schenkbelasting in mindering strekt van de erfbelasting die verschuldigd is. Hoewel de schenkbelasting niet steeds zal overeenkomen met de erfbelasting vanwege een verschil in toepasselijke vrijstellingen, acht het Hof daarin geen reden gelegen om te komen tot een evenredige berekening van de vermindering van de erfbelasting zoals bepleit door de Inspecteur; de tekst van de SW werpt volgens het Hof in dit verband geen beperkingen op. Belanghebbende heeft geconcludeerd tot een vermindering van schenkbelasting van € 7.972. Hierin volgt het Hof belanghebbende niet, aangezien het door belanghebbende gestelde bedrag van de vermindering tevens betrekking heeft op een schenking waarvoor de vermindering niet geldt, te weten € 5.000. Deze is gedaan buiten de 180 dagen termijn en dus niet meegenomen als fictieve verkrijging voor de erfbelasting. De schenkbelasting die betrekking heeft op die schenking dient daarom buiten de vermindering te blijven. Dit betekent dat de vermindering van de aanslag erfbelasting door het Hof als volgt is berekend: 80.000/85.000 * € 7.972 = € 7.503. Het principale cassatiemiddel van de Staatssecretaris is gericht op het toepassen van de evenredige berekening van de te verrekenen schenkbelasting, dus tegen de door het Hof toegepaste rechtstreekse vermindering. Volgens de A-G slaagt dit middel. De 180 dagen regeling is ingevoerd om te voorkomen dat erfbelasting zou worden ontgaan door betrekkelijk kort voor het (verwachte) overlijden vermogen te schenken. Een dergelijke schenking wordt daarom betrokken in de grondslag van de erfbelasting. Waar de wetgever in dat kader heeft voorzien in verrekening, is niet gekozen voor het achteraf vernietigen van de eerdere aanslag in de schenkbelasting, maar inderdaad voor verrekening. Het komt de A-G voor dat daarin al de evenredigheid besloten ligt. Het deel van de verkrijging waarvoor verrekening geldt, is gerelateerd aan hetgeen fictief wordt meegenomen als erfrechtelijke verkrijging. Tegen die benadering is wel ingebracht dat zo een verrekening de (economische) dubbele belasting niet geheel voorkomt waar vrijstellingen in de erfbelasting hoger zijn dan die van de schenkbelasting. Volgens de A-G heeft de wetgever dat onder ogen gezien en aanvaard. Het eerste incidentele middel van belanghebbende is gericht op verrekening van het in totaal geheven bedrag aan schenkbelasting van € 7.972, dus ook het deel dat ziet op de schenking van € 5.000 gedaan buiten de 180 dagen periode. De A-G meent dat dit middel faalt, omdat in zoverre geen sprake is van economische dubbele heffing waarvoor verrekening kan worden gegeven. In zijn tweede middel stelt belanghebbende dat hij recht heeft op een proceskostenvergoeding over de bezwaarfase, nu het Hof zijn hoger beroep gegrond heeft verklaard. Gezien de beoordeling van de voorgaande middelen kan dit middel volgens de A-G niet leiden tot cassatie. De conclusie strekt ertoe dat het principale beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën gegrond moet worden verklaard en het incidentele beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken