Rb. Den Haag 31 juli 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:9396
Eiseres heeft van haar vader een schenking van € 37.500 ontvangen. Ter zake van de schenking is een aanslag schenkbelasting opgelegd ten bedrage van € 3.235 (10% over € 37.500 -/- € 5.141 aan vrijstelling). De vader van eiseres is vervolgens binnen 180 dagen overleden, zodat de schenking tot de nalatenschap wordt gerekend. Het aan eiseres toekomende deel van de nalatenschap bedraagt aldus € 20.167 + € 37.500 = € 57.667 en de aan eiseres opgelegde aanslag erfbelasting bedraagt € 3.779 ( 10% van (€ 57.667 -/- € 19.868 aan vrijstelling). In geschil is voor welk bedrag de betaalde schenkbelasting in mindering komt op de erfbelasting. Volgens verweerder kan de betaalde schenkbelasting slechts voor € 2.458 (37.500/57.667 x € 3.779) in mindering komen op de erfbelasting. Eiseres stelt zich op het standpunt dat het gehele bedrag aan betaalde schenkbelasting op de erfbelasting in mindering komt. De rechtbank overweegt dat de omstandigheid dat de Successiewet 1959 voorziet in de verrekening van schenkbelasting als erfbelasting wordt geheven, er niet aan afdoet dat de schenking als belastbaar feit blijft bestaan en dat voor de schenkbelasting een lagere vrijstelling geldt dan voor de erfbelasting. De wetgever heeft er bewust voor gekozen de effectieve belastingdruk op een schenking hoger te laten zijn dan op een erfrechtelijke verkrijging. Dat eiseres in totaal meer belasting moet betalen dan wanneer er niet zou zijn geschonken is louter het gevolg van het feit dat gekozen is voor het doen van een schenking. De rechtbank is van oordeel dat het bedrag aan schenkbelasting dat op de erfbelasting in mindering kan worden gebracht door verweerder niet te laag is bepaald. Het beroep is ongegrond verklaard.
De uitspraak op rechtspraak.nl