Conclusie A-G IJzerman 28 juni 2018, ECLI:NL:PHR:2018:778

A-G IJzerman heeft conclusie genomen naar aanleiding van het beroep in cassatie van [X] N.V., belanghebbende, tegen de uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 5 september 2017, nr. 16/00529. Belanghebbende exploiteerde in de onderhavige periode, als netbeheerder in de zin van artikel 10, negende lid, van de Elektriciteitswet 1998 en artikel 2, achtste lid van de Gaswet, een gas- en elektriciteitsnetwerk in de Gemeente. In dat kader beheerde zij de onder, op of boven de gemeentegrond aanwezige netten die worden gebruikt voor het transport en de levering van elektriciteit en gas, aan huishoudens en bedrijven binnen het grondgebied van de Gemeente. Belanghebbende is economisch eigenaar van deze netten. Juridisch eigenaar van de netten is een dochtervennootschap van belanghebbende. Op grond van artikel 3, eerste lid, van de gemeentelijke Verordening werd ter zake van buizen, kabels, draden of leidingen ter zake waarvan op grond van de Gaswet of de Elektriciteitswet een netbeheerder is aangewezen, precariobelasting geheven van de door de minister aangewezen netbeheerder. Blijkens artikel 3, tweede lid, van de Verordening wordt in alle andere gevallen de precariobelasting geheven van degene die de buizen, kabels, draden of leidingen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond heeft, dan wel van degene ten behoeve van wie dat voorwerp of die voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond aanwezig zijn. Met dagtekening 31 januari 2014 is aan belanghebbende voor het belastingjaar 2013, tijdvak 1 november 2013 t/m 31 december 2013, een aanslag precariobelasting opgelegd van € 71.000. De Heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende daartegen ongegrond verklaard. Daarop heeft belanghebbende beroep ingesteld bij de Rechtbank. Daar was primair in geschil of de aanslag precariobelasting terecht aan belanghebbende is opgelegd en subsidiair of de tariefstelling, als ingevolge de Verordening, onevenredig hoog is en naar willekeur is vastgesteld. De Rechtbank heeft bij uitspraak van 8 mei 2015 het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard. In het hoger beroep van belanghebbende heeft het Hof overwogen belanghebbende te volgen in haar stelling dat zij op grond van het eerste lid van artikel 3 van de Verordening niet als belastingplichtige kan worden aangemerkt, nu zij naar tussen partijen niet in geschil is niet een door de minister aangewezen netbeheerder is. Echter, het Hof heeft belanghebbendes stelling niet gevolgd dat daardoor niet meer aan artikel 3, tweede lid, van de Verordening kan worden toegekomen. Volgens het Hof moet blijkens de kennelijke bedoeling van de gemeentelijke wetgever zoals die mede blijkt uit de toelichting op het door de heffingsambtenaar overgelegde voorstel van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Muiden tot invoering van het heffen van precariobelasting op kabels en leidingen, het eerste lid van artikel 3 van de Verordening redelijkerwijs worden begrepen als een bepaling die heffing mogelijk maakt van de ingevolge de Gaswet of de Elektriciteitswet door de minister aangewezen (landelijke) netbeheerders. Volgens het Hof kunnen regionale netbeheerders zoals belanghebbende worden begrepen onder de ‘andere gevallen’ van het tweede lid, mits zij overigens voldoen aan de in dat artikellid voor belastingplicht gestelde eisen. Volgens het Hof is dat bij belanghebbende het geval nu zij als economisch eigenaar van de netwerken de nutsleidingen ‘heeft’ in de zin van dat artikellid. Naar het oordeel van het Hof is belanghebbende aldus als belastingplichtige aan te merken. Belanghebbende komt thans in cassatie op tegen de uitspraak van het Hof. Het middel van belanghebbende strekt ten betoge dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat belanghebbende belastingplichtig is op grond van artikel 3, tweede lid, van de Verordening. Het College heeft voorwaardelijk incidenteel beroep in cassatie ingesteld. Het gaat volgens de A-G met name om de uitleg en reikwijdte van de in artikel 3, tweede lid, van de Verordening staande bewoordingen ‘in alle andere gevallen’. Belanghebbende gaat ervan uit dat de bewoordingen ‘in alle andere gevallen’ als bedoeld in artikel 3, tweede lid van de Verordening alleen zien op de situatie dat niet wordt voldaan aan de voorwaarden van het eerste deel van artikel 3, eerste lid, van de Verordening. Echter, volgens de A-G slaat ‘in alle andere gevallen’ terug op zowel het eerste als het tweede deel van artikel 3, eerste lid, van de Verordening. Dus indien de precariobelasting niet kan worden geheven van de door de minister aangewezen netbeheerder, wordt toegekomen aan het tweede lid. Dat betekent dat het Hof de Verordening terecht zo heeft uitgelegd dat belanghebbende valt onder de ‘andere gevallen’ en dat zij op grond van artikel 3, tweede lid, van de Verordening belastingplichtig is voor de precariobelasting. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond dient te worden verklaard, zodat het voorwaardelijk ingestelde incidentele beroep in cassatie van het College van rechtswege vervalt.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken