Rb. Noord-Nederland 19 januari 2017, ECLI:NL:RBNNE:2017:153
Artikel 5.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden. In een proefprocedure over het belastingjaar 2014 over de houdbaarheid van de box-3 heffing, past de rechtbank Noord-Nederland het arrest toe van de Hoge Raad van 10 juni 2016 (ECLI NL:HR:2016:1129). In dat arrest ging het om de vraag of het destijds door de wetgever veronderstelde rendement van vier procent voor een lange reeks van jaren voor particulieren inmiddels 'niet meer haalbaar is'. De rechtbank beslist dat die vraag pas kan worden beantwoord nadat een periode van ten minste tien aaneengesloten jaren is verstreken waarin het rendement op risico-arme beleggingen (zoals staatsobligaties van landen met een hoge kredietwaardigheid) telkens lager is geweest dan vier procent. De rechtbank komt vervolgens tot de conclusie dat de belastingplichtige niet heeft bewezen dat eind 2013 ten minste tien aaneengesloten jaren met een dergelijk onderrendement waren verstreken en verklaart daarom het beroep ongegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl