Conclusie A-G Niessen 8 november 2018, ECLI:NL:PHR:2018:1267

A-G Niessen heeft conclusie genomen in de zaak met nummer 18/00136. In cassatie is in geschil of belanghebbende in 2013 recht heeft op verrekening van de door [A] in 2015 aangekondigde inhouding van loonbelasting en premies volksverzekeringen ter zake van de (fictieve) afkoop van een kapitaalverzekering met lijfrenteclausule met de door hem in 2013 verschuldigde inkomstenbelasting. [A] heeft belanghebbende in 2017 geïnformeerd dat ten onrechte loonheffing is achterhouden en dat [A] dit bedrag aan belanghebbende zal uitkeren. Het Hof heeft geoordeeld dat de fictief afgekochte aanspraak op lijfrente niet is aan te merken als loon op grond van de Wet LB 1964 en niet aan de inhouding van loonbelasting en premie volksverzekeringen is onderworpen. Het door [A] achtergehouden bedrag kan naar het oordeel van het Hof reeds daarom niet worden aangemerkt als geheven loonheffing in de zin van artikel 27, lid 1, Wet LB 1964. Bovendien heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat het bedrag dat [A] ter zake van de aanspraak op lijfrente niet aan hem heeft uitbetaald, door [A] is achtergehouden met het oogmerk dit bedrag als loonheffing af te dragen. Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbendes stelling dat hij te goeder trouw mocht menen dat [A] loonheffing heeft ingehouden en daarom alsnog mag verrekenen, reeds faalt omdat [A] geen inhoudingsplichtige is. Belanghebbende komt in cassatie tegen dit oordeel op onder aanvoering van één klacht. Belanghebbendes klacht is dat het Hof heeft miskend dat op grond van de vermelding van ‘inhouding loonbelasting’op de opgaaf door [A], [A] deze loonbelasting diende af te dragen. Belanghebbende betoogt dat [A] op het moment van deze vermelding op de opgaaf het oogmerk had loonbelasting af te dragen. Belanghebbende betoogt dat de Inspecteur de loonbelasting bij [A] dient na te heffen. Belanghebbende voert aan dat voor de inkomstenbelasting ervan uit moet worden gegaan dat loonheffing is ingehouden. Ter onderbouwing van dit argument wijst belanghebbende op het systeem van de omzetbelasting. Degene die omzetbelasting vermeldt, dient deze omzetbelasting te betalen, ook indien die persoon niet omzetbelastingplichtige is of als zodanig geregistreerd is. A-G Niessen behandelt eerst de vraag of hetgeen door [A] is ingehouden ter zake van de (fictieve) afkoop van de kapitaalverzekering met lijfrenteclausule moet worden aangemerkt als loonbelasting en premies volksverzekeringen. Ingevolge artikel 9, lid 1, Wet LB 1964 wordt loonbelasting geheven over het belastbare loon. Loon is op grond van artikel 10 Wet LB 1964 al hetgeen uit een dienstbetrekking of vroegere dienstbetrekking wordt genoten. Dit loonbegrip wordt uitgebreid in artikel 34 Wet LB 1964. Dat artikel bepaalt dat ter vergemakkelijking van de heffing van de inkomstenbelasting bij algemene maatregel van bestuur regels kunnen worden gesteld ingevolge welke de loonbelasting mede wordt geheven van natuurlijke personen die kort gezegd een afkoopsom genieten in de zin van artikel 3.133, lid 2, onderdeel d, Wet IB 2001. Deze nadere regels zijn neergelegd in artikel 11 UB LB 1965. Dit artikel bepaalt dat loonbelasting mede wordt geheven van natuurlijke personen die bepaalde tot het belastbare inkomen uit werk en woning dan wel het belastbare inkomen uit werk en woning in Nederland in de zin van de Wet IB 2001 behorende inkomsten genieten. Artikel 11, lid 1, onderdeel a, sub 5, UB LB 1965 betreft afkoopsommen van pre-Brede Herwaarderingslijfrenten. In casu is geen sprake van een afkoopsom in de zin van artikel 3.133, lid 2, onderdeel d, Wet IB 2001, maar sprake van een fictieve afkoop in de zin van artikel 3.133, lid 3, Wet IB 2001. De vraag is of de onderhavige fictieve afkoop in de zin van artikel 3.133, lid 3, Wet IB 2001 desalniettemin moet worden aangemerkt als een afkoop in de zin van artikel 3.133, lid 2, onderdeel d, Wet IB 2001 die binnen het toepassingsbereik van artikel 34, lid 1, onderdeel c, Wet LB 1964 juncto artikel 11, lid 1, onderdeel a, sub 5, UB LB 1965 valt. Tekstueel gezien zou betoogd kunnen worden dat de fictieve afkoop onder artikel 34, lid 1, onderdeel c, Wet LB 1964 juncto artikel 11, lid 1, onderdeel a, sub 5, UB LB 1965 valt. Artikel 3.133, lid 3 Wet IB 2001 bepaalt immers dat ingeval van expiratie van een aanspraak op lijfrente, deze geacht wordt te zijn afgekocht. Artikel 3.133, lid 2, onderdeel d, Wet IB is van toepassing op de afkoop van een aanspraak. Daarmee zou de fictieve afkoop onder artikel 3.133, lid 2, onderdeel d, Wet IB 2001 kunnen vallen (waarop artikel 34, lid 1, onderdeel c, Wet LB 1964 en artikel 11, lid 1, onderdeel a, sub 5, UB LB 1965 van toepassing zijn). De staatssecretaris van Financiën heeft echter bij de wijziging van artikel 11 UB LB 1965 toegelicht dat het bij afkoopsommen van pre-Brede Herwaarderingslijfrenten in de zin van artikel 11, lid 1, onderdeel a, sub 5, UB LB 1965 in verbinding met artikel 34, lid 1, onderdeel c, Wet LB 1964 uitsluitend gaat om de situatie dat het lijfrentecontract geheel of gedeeltelijk wordt afgekocht in de vorm van een afkoopsom. De fictieve afkoop in de zin van artikel 3.133, lid 3, Wet IB 2001 valt daar dus niet onder. De fictieve afkoop moet dus niet ook worden aangemerkt als een afkoop in de zin van artikel 34, lid 1, onderdeel c, Wet LB 1964 juncto artikel 11, lid 1, onderdeel a, sub 5, UB LB 1965. Dit betekent dat artikel 11 UB LB 1965 geen fiscale gevolgen kan hebben voor belanghebbende. De fictieve afkoop van de kapitaalverzekering met lijfrenteclausule was niet onderworpen aan loonbelasting. Voorts behandelt A-G Niessen de vraag of – nu [A] inhouding loonbelasting heeft vermeld op de opgaaf zoals [A] die naar belanghebbende heeft gestuurd – [A] op grond daarvan dit bedrag aan de Belastingdienst diende af te dragen. A-G Niessen merkt op dat ingevolge artikel 27, lid 5, Wet LB 1964 de inhoudingsplichtige (slechts) verplicht is de in een tijdvak ingehouden belasting op aangifte af te dragen. Nu in casu geen sprake is van ingehouden (loon)belasting, was [A] niet verplicht het ingehouden bedrag aan de Belastingdienst af te dragen. A-G Niessen meent dat slechts geheven loonbelasting met de aanslag in de inkomstenbelasting kan worden verrekend. Nu in casu geen sprake is van geheven loonbelasting, kan belanghebbende het bedrag dat [A] heeft ingehouden ter zake van de fictieve afkoop van de kapitaalverzekering niet verrekenen met zijn aanslag inkomstenbelasting. Ten overvloede is A-G Niessen ingegaan op de vergelijking van belanghebbende met de omzetbelasting. A-G Niessen merkt op dat het systeem van de omzetbelasting niet één op één kan worden toegepast op de loonbelasting. Bovendien heeft degene die een factuur heeft verstuurd, daadwerkelijk een prestatie voor de omzetbelasting geleverd aan de afnemer. De prestatie zelf valt binnen de heffingsgrondslag van de omzetbelasting. In casu valt de fictieve afkoop van de kapitaalverzekering niet binnen de heffingsgrondslag van de loonbelasting. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond dient te worden verklaard.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken