Conclusie 7 juni 2017, ECLI:NL:PHR:2017:875
Vierde kamer zaak. Verzoekster is n-o in haar cassatieberoep tegen de beslissing van de PG om geen vordering tot ontslag van 3 raadsheren bij de CRvB bij de HR in te dienen; geen wettelijke bepaling biedt de mogelijkheid een rechtsmiddel aan te wenden tegen een dergelijk besluit van de PG. HR merkt verder op dat art. 1:1.2.g Awb de PG niet als een bestuursorgaan aanmerkt, hetgeen meebrengt dat de rechtsmiddelen die in de Awb zijn voorzien n.v.t. zijn op beslissingen van de PG. Verzoekster is verder ook n-o in haar verzoek dat de HR tot het ontslag van de raadsheren zal beslissen of een onderzoek ter zake zal instellen, zonder daartoe strekkende vordering van de PG. Art. 46o.1 Wrra bepaalt dat de HR de in hoofdstuk 6A bedoelde beslissingen (waaronder ontslag ex art. 46l.1.a) neemt op vordering van de PG bij de HR. HR heeft geen wettelijke bevoegdheid om het verzoek van verzoekster tot onderzoek of ontslag in behandeling te nemen zonder daartoe strekkende vordering van de PG en heeft ook niet de wettelijke bevoegdheid om de PG opdracht te geven om een (on)geschiktheidsonderzoek t.a.v. een rechterlijk ambtenaar te doen of om een vordering tot ontslag van een zodanige ambtenaar in te dienen.
De uitspraak op rechtspraak.nl