Conclusie A-G Wattel 3 augustus 2017, ECLI:NL:PHR:2017:723

Prejudiciële vraag ex art. 27ga AWR. Een in Letland wonende Let werkt als zeevarende in dienst van een in Nederland gevestigde werkgever op een zeeschip dat buiten de EU/EER/Zwitserland vaart onder de vlag van de Bahama’s en is naar intern recht niet aangesloten bij het Nederlandse stelsel van sociale zekerheid. Wordt onder de nieuwe Verordening (EG) 883/2004 inzake de coördinatie van verzekeringsstelsel de keuze tussen de woonstaatwetgeving en de werkgeverstaatwetgeving bepaald door de HvJ EU-arresten Aldewereld en Kik (aanwijzing van de werkgeverstaat) of door de restbepaling van art. 11(3)(e) Vo. 883/2004 (aanwijzing van de woonstaat)? Bij beslissing van 20 april 2017 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant de Hoge Raad om een prejudiciële beslissing verzocht over de vraag of de Nederlandse sociale-verzekeringswetgeving van toepassing is op een Let (belanghebbende) die in Letland woont maar voor een Nederlandse werkgever werkt op een zeeschip dat buiten de EU onder de vlag van de Bahama’s vaart. In geschil is of de belanghebbende in 2013 premieplichtig was voor de Nederlandse volksverzekeringen. De enige aanknopingspunten met EU-grondgebied zijn belanghebbendes woonplaats (Letland) en de vestigingsplaats van zijn werkgever (Nederland). Naar intern Nederlands recht is hij niet in Nederland verzekerd omdat hij niet in Nederland heeft gewerkt, geen inwoner is (geweest), en niet onderworpen is aan Nederlandse loonbelasting. Als er geen EU-recht zou zijn, zou hij dus niet verzekerd zijn in Nederland maar wellicht wel in de woonstaat Letland. De vraag is of dat anders wordt door (de sterke werking van) Vo. 883/2004. De Rechtbank maakt onderscheid tussen Vo. 1408/71 en Vo. 883/2004 en maakt uit de HvJ-arresten Aldewereld en Kik op dat als geen van de in de (oude) Vo. 1408/71 gestelde reguliere aanwijsregels op de situatie van de betrokkene ziet, het Aldewereld-arrest moet worden toegepast. Dat arrest houdt in dat als voldoende aanknoping met de EU bestaat maar de Verordening geen EU-lidstaat aanwijst, die lidstaat bevoegd is waarmee de nauwste aanknoping bestaat, en dat aan de vestigingsplaats van de werkgever meer gewicht toekomt dan aan de woonplaats van de werknemer; in casu zou onder Vo. 1408/71 het Nederlandse stelsel worden aangewezen. De Rechtbank vraagt zich echter terecht af of aan de Aldewereld-leer (zoals toegepast in het arrest Kik) nog behoefte bestaat onder Vo. 883/2004 die – anders dan Vo. 1408/71 – een algemeen geformuleerde restbepaling bevat (art. 11(3)(e) Vo. 883/2004) die de woonstaat aanwijst als geen van de overige toewijzingsbepalingen (van art. 11 Vo. 883/2004) van toepassing is. De Rechtbank twijfelt over de vraag of die nieuwe restbepaling, die naar haar tekst toepasselijk is, alleen op inactieven ziet, nu daarvoor diverse aanwijzingen bestaan. De Rechtbank ziet twee mogelijkheden: (i) in belanghebbendes geval komt men aan de nieuwe restbepaling niet toe omdat Aldewereld/Kik nog steeds geldt en voorziet in toepassing van een reguliere, weliswaar niet rechtstreeks toepasselijke, maar nabije liggende aanwijsregel (i.e. zeevarendenbepaling), zodat de werkgeverstaat Nederland wordt aangewezen; of (ii) Aldewereld/Kik is pas relevant als geen geschreven aanwijsregel rechtstreeks van toepassing is, en die is er onder de nieuwe Verordening wél, zodat de woonstaat Letland wordt aangewezen. De Rechtbank stelt de Hoge Raad de volgende twee vragen: “1. De wetgeving van welke lidstaat wordt door de Verordening (nr. 883/2004) aangewezen voor de periode waarin belanghebbende in dienst is van een in Nederland gevestigde werkgever in de onderhavige situatie waarbij het gaat om een belanghebbende die (a) in Letland woont, (b) de Letse nationaliteit heeft, (c) in dienst is van een in Nederland gevestigde werkgever, (d) als zeevarende werkzaam is, (e) zijn arbeid verricht aan boord van een zeeschip dat vaart onder de vlag van de Bahama’s, en (f) deze werkzaamheden verricht buiten het grondgebied van de Europese Unie? 2. Indien uit het antwoord op vraag 1 volgt dat in beginsel de wetgeving van Letland wordt aangewezen, dient dan te worden onderzocht of de wetgeving in Letland voorziet in aansluiting van een persoon in de situatie zoals die van belanghebbende bij enig stelsel van sociale zekerheid voor de bij vraag 1 bedoelde periode?” A-G Wattel acht opvatting (ii) de juiste. De Aldewereld- en Kik-rechtspraak is zijns inziens ontwikkeld voor gevallen waarin een persoon, hoewel hij zijn werkzaamheden buiten de EU verricht, voldoende personele en territoriale aanknoping aan de EU heeft/behoudt (in casu zowel zijn woonplaats als de vestiging van zijn werkgever) én zich een intra-EU grensoverschrijdend aspect voordoet (doordat woon- en werkgeverstaat verschillende lidstaten zijn), maar de Verordening desondanks geen lidstaat aanwijst omdat de Europese wetgever zijn geval niet voorzien heeft (aanwijzing van de vlagstaat leidt tot niets omdat die geen lidstaat is). Deze arresten zijn rechterlijke improvisatie om te voorkomen dat de Verordening niet aan zijn doel (coördineren en voorkoming van verzekeringsvacua) kan beantwoorden bij gebrek aan een rechtstreeks toepasselijke exclusieve aanwijsregel. Zo’n rechtstreeks toepasselijke aanwijsregel is er onder Vo. 883/2004 wél (art. 11(3)(e)). De echte wetgever heeft in het vacuüm voorzien en voor wetgever-plaatsvervanging is daarom mijns inziens geen plaats meer in gevallen zoals dat van de belanghebbende. Dat is anders zijn als art. 11(3) Vo. 883/2004 slechts zou zien op inactieven en postactieven, maar zijn tekst geeft geen enkele steun aan een dergelijke beperking en het HvJ EU zag in de zaak Kuusijärvi evenmin aanleiding om art. 13(2)(f) van de oude Verordening beperkter te lezen dan diens tekst luidde. De tekst en het afpelsysteem van art. 11(1) Vo. 883/2004 leiden volgens de A-G tot de conclusie dat belanghebbendes geval onder art. 11(3)(e) Vo. 883/2004 valt. Dat het HvJ EU in Kik het oude art. 13(2)(f) Vo. 1408/71 niet toepasselijk achtte, is irrelevant, nu het Hof die conclusie uitsluitend baseerde op het gegeven dat die oude bepaling, anders dan art. 11(3)(e) Vo. 883/2004, eiste dat de betrokkene was opgehouden onderworpen te zijn aan de wetgeving van een lidstaat zonder elders verzekerd te geraken (hetgeen bij Kik niet het geval was). Het lijkt de A-G uitgesloten dat die toepassingsbeperking zonder enige bedoeling vervallen zou zijn in de nieuwe Verordening. Het strookt zijns inziens ook met de vereenvoudigings-, moderniserings- en vervangingsdoelen van de nieuwe Verordening dat zij voorziet in een onder de oude Verordening node gemiste restbepaling in een aanzienlijk vereenvoudigd aanwijssysteem dat door die vereenvoudiging en restbepaling uiteraard tot een andere toewijzing kan leiden dan onder de oude, onoverzichtelijke en incomplete Verordening. Het is volgens de A-G een acte clair dat de keuze tussen woonstaat en werkgeverstaat in casu bepaald wordt door art. 11(3)(e) Vo. 883/2004 en niet meer door de door die bepaling achterhaalde Aldewereld- en Kik-rechtspraak. Eveneens clair acht hij dat als de niet-aangewezen lidstaat de betrokkene naar intern recht niet verzekert (zoals in casu, hetgeen de belanghebbende onderscheidt van Kik, die naar intern recht wel was verzekerd in Nederland), die niet-aangewezen lidstaat hem niet desondanks hoeft te verzekeren als de wél-aangewezen lidstaat hem niet daadwerkelijk aansluit bij een verzekeringsstelsel. Anders dan Kik, verliest de belanghebbende immers geen Nederlandse rechten (en plichten) als de Verordening Letland aanwijst: hij heeft alsdan immers naar intern recht helemaal geen Nederlandse rechten of plichten, zodat er geen grond kan bestaan hem te beschermen tegen verlies van die niet-bestaande rechten en plichten. De A-G meent dat deze conclusie ook voortvloeit uit het arrest Zinnecker van het HvJ EU. De A-G geeft de Hoge Raad in overweging de prejudiciële vragen van de Rechtbank als volgt te beantwoorden: 1. In een geval zoals dat van de belanghebbende wijst Vo. 883/2004 de wetgeving van de woonstaat Letland aan voor de in deze vraag bedoelde periode; 2. Niet onderzocht hoeft te worden of de Letse wetgeving voorziet in aansluiting van de belanghebbende bij enig stelsel van sociale zekerheid voor de bedoelde periode.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken