Conclusie A-G IJzerman 15 juni 2017, ECLI:NL:PHR:2017:559

In het algemeen strekt een fiscale procedure ertoe dat een belastingplichtige de rechter verzoekt om een verlaging van zijn fiscale verplichtingen, zoals die volgen uit het in die procedure bestreden besluit. Het gaat vaak om het verzoek een opgelegde belastingaanslag (verder) te verlagen, maar het kan bijvoorbeeld ook gaan om het verzoek om een lagere WOZ-waarde vast te stellen (en daardoor lagere aanslagen in de onroerendezaakbelasting en andere heffingen te verkrijgen). Indien een belastingplichtige niet streeft naar een dergelijke verlaging, kan de gerechtelijke procedure in de hoofdregel niet leiden tot het door die belastingplichtige beoogde resultaat. Belanghebbende was aan het begin van het belastingjaar 2013 gebruiker en genothebbende van een onroerende zaak, gelegen in de gemeente Hellevoetsluis. De Heffïngsambtenaar heeft bij beschikking op grond van artikel 22 van de Wet WOZ, de waarde van de onroerende zaak, per waardepeildatum 1 januari 2012, voor het kalenderjaar 2013 vastgesteld op € 45.000 en heeft een daarmee corresponderende aanslag in de onroerendezaakbelastingen opgelegd. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt omdat hij van mening is dat de waarde hoger moet worden gesteld, namelijk op € 394.000. Die hogere waardering wil belanghebbende vanwege buiten de fiscaliteit gelegen redenen. De Heffingsambtenaar heeft belanghebbendes bezwaar ongegrond verklaard en de beschikking en de aanslag gehandhaafd. De Rechtbank heeft geoordeeld dat het beroep van belanghebbende niet-ontvankelijk is vanwege het ontbreken van procesbelang, aangezien belanghebbende met het instellen van beroep niet kan bereiken dat een hogere WOZ-waarde wordt vastgesteld. In hoger beroep heeft het Hof geoordeeld dat een procesbelang bij het hoger beroep ontbreekt. Volgens artikel 8:69 van de AWB mag het instellen van beroep er niet toe leiden dat degene die het beroep instelt in een slechtere financiële positie komt dan zonder het instellen van beroep het geval zou zijn geweest. Het beroep van belanghebbende kan volgens het Hof dan ook om deze reden niet ertoe leiden dat de waarde van de onroerende zaak hoger wordt vastgesteld dan de door de heffingsambtenaar bij beschikking vastgestelde waarde. Het Hof is gekomen tot het oordeel dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is. Belanghebbende komt in cassatie met één middel op tegen het oordeel van het Hof. Daarin stelt belanghebbende dat het oordeel van het Hof resulteert in een verslechterde financiële situatie voor belanghebbende, doordat per waardepeildatum 1 januari 2012, voor het kalenderjaar 2013, de waarde van het pand is vastgesteld op € 45.000, welke waarde aanzienlijk lager is dan in de voorafgaande jaren. Belanghebbende heeft ter onderbouwing van de verslechterde financiële situatie gewezen op de nalatenschap, zijn zakelijke financiële situatie en zijn vermogenssituatie. Het komt de A-G voor dat uit de sinds 11 april 2014 ter zake door de Hoge Raad gewezen jurisprudentie volgt dat een door een belanghebbende ingesteld rechtsmiddel, zoals bezwaar of beroep, reeds ontvankelijk is als dat ertoe kan leiden dat dit de belanghebbende, mede in het licht van het verdere procesverloop, zou kunnen brengen in een betere positie met betrekking tot het bestreden besluit en eventuele bijkomende (rechterlijke) beslissingen zoals die met betrekking tot proceskosten en griffierecht. Ontvankelijkheid betekent dat de door de indiener aangevoerde gronden moeten worden onderzocht en dat moet worden beoordeeld of het rechtsmiddel wel of niet gegrond is. Het gaat er volgens de A-G bij de beoordeling van de ontvankelijkheid kennelijk niet om wat de indiener heeft beoogd toen hij het rechtsmiddel aanwendde. Het verdere procesverloop zal moeten leren of aanpassing van de stellingen van een belanghebbende en/of de inspecteur, er alsnog toe kan leiden dat de belanghebbende door bezwaar of beroep alsnog in een betere positie kan komen. Daarmee is het (hoger) beroep ontvankelijk te achten, ook los van de gewijzigde tekst van artikel 29 van de Wet WOZ. Overigens lijkt het de A-G heel onwaarschijnlijk dat belanghebbende ooit zal willen komen tot een waardering lager dan € 45.000, maar de procedure zal moeten worden doorlopen. Als artikel 29 van de Wet WOZ niet was gewijzigd, zou de verwijzingsprocedure aldus alsnog uitlopen op ongegrondverklaring van belanghebbendes bezwaar en beroep. Per 1 oktober 2015 is echter artikel 29 van de Wet WOZ gewijzigd. De kern van die wetswijziging is dat een bij beschikking vastgestelde WOZ-waarde bij uitspraak op bezwaar en in (hoger) beroep niet alleen kan worden verlaagd, maar ook kan worden verhoogd. De reden daarvan is dat de WOZ-waarde ook wordt gehanteerd in niet-fiscale regelingen. Daardoor zijn er situaties denkbaar waarin partijen juist belang hebben bij een hogere dan de aanvankelijk vastgestelde WOZ-waarde. Bij de inwerkingtreding van het nieuwe artikel 29 van de Wet WOZ is geen overgangsrecht geformuleerd. Dan lijkt het de A-G in principe juist uit te gaan van onmiddellijke (processuele) werking, ook in lopende procedures welke betrekking hebben op waardevaststellingen en jaren gelegen vóór 1 oktober 2015. Dat lijkt de A-G in overeenstemming met de door de wetgever bedoelde uitbreiding van rechtsbescherming voor belanghebbenden die zijn gebaat bij de vaststelling van een hogere WOZ-waarde. Aldus slaagt het middel. Verwijzing zal moeten plaatsvinden, opdat het verwijzingshof alsnog zal komen tot een inhoudelijke beoordeling van de stellingen van belanghebbende. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende gegrond dient te worden verklaard.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken