Rb. Amsterdam 29 december 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:8773

Eiser heeft ter zitting voor het eerst een hogere in plaats van een lagere WOZ-waarde bepleit. Artikel 6:13 van de Awb staat er niet aan in de weg dat eiser in beroep nieuwe gronden kan indienen. Het betreft hier eenzelfde onderdeel van het besluit, namelijk de vaststelling van de WOZ-waarde. Het verzoek van eiser om een hogere WOZ-waarde is laat maar niet kan worden aangemerkt als in strijd met de goede procesorde. Verweerder was ter zitting in staat om het standpunt van eiser gemotiveerd te weerspreken en heeft in de aanloop naar en ter zitting van de meervoudige kamer voldoende gelegenheid gehad zich op deze gewijzigde stellingname voor te bereiden en daarop te reageren. Evenals het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (zie de uitspraak van 11 oktober 2016 ECLI:NL:GHARL:2016:8122) is de rechtbank van oordeel dat de wetgever met de wijziging van artikel 29 van de Wet WOZ heeft beoogd mogelijk te maken dat in bezwaar of beroep de WOZ-waarde op een hogere waarde kan worden vastgesteld. De wetgever heeft daarbij niet voorzien in overgangsrecht, zodat de wetswijziging onmiddellijke werking heeft. Het is daarom mogelijk alsnog een hogere WOZ-waarde vast te stellen. De rechtbank is in dit geval van oordeel dat verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat hij de WOZ-waardes op de juiste hoogte heeft vastgesteld.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken