Conclusie A-G IJzerman 15 december 2016, ECLI:NL:PHR:2016:1350

Op 29 december 1998 is de moeder van belanghebbende overleden. Erflaatster hield bij een Zwitserse bank buitenlands vermogen aan dat buiten het zicht van de fiscus werd gehouden. Belanghebbende heeft op 26 augustus 1999 aangifte voor het recht van successie (erfbelasting) gedaan, zonder daarin melding te maken van dat buitenlandse vermogen. Tot 1 januari 2012 gold dat door verjaring de wettelijke bevoegdheid tot het opleggen van een navorderingsaanslag in de erfbelasting, ingeval de aangifte over buitenlands vermogen niet, onjuist of onvolledig was gedaan, verviel na verloop van twaalf jaren na de dag van inschrijving van de akte van overlijden in de registers van de burgerlijke stand. Sinds 1 januari 2012 is er, ingevolge het nieuwe derde lid van artikel 66 van de SW, geen wettelijke verjaring meer van de navorderingsbevoegdheid voor erfbelasting ter zake van, later bij de belastingdienst bekend geworden, buitenlands vermogen. Op 25 februari 2014 heeft belanghebbende in het kader van zijn aangiften voor de inkomstenbelasting, melding gemaakt van niet aangegeven bezittingen in de vorm van banktegoeden en effecten bij een Zwitserse bank. De Inspecteur heeft daarop met dagtekening 9 september 2014 aan belanghebbende een navorderingsaanslag in het recht van successie opgelegd van € 100.925, wegens het vererfde, en in 1999 in de aangifte voor het recht van successie niet vermelde, buitenlandse vermogen. Op 1 januari 2012, de datum van inwerkingtreding van het nieuwe derde lid van artikel 66 van de SW, was de oorspronkelijke verjaringstermijn van twaalf jaren ten aanzien van het verzwegen buitenlandse vermogen van erflaatster, overleden op 29 december 1998, reeds verstreken. In verband daarmee heeft belanghebbende zich op het standpunt gesteld dat, nu in casu de verjaringstermijn reeds was verstreken vóór de inwerkingtreding van het nieuwe derde lid van artikel 66 van de SW, per 1 januari 2012, de ingetreden verjaring in stand is gebleven, zodat aan de Inspecteur niet meer het recht toekwam erfbelasting na te vorderen. Het Hof heeft belanghebbende in het gelijk gesteld. Daartoe heeft het Hof geoordeeld dat uit de tekst van artikel 66, lid 3, van de SW, niet volgt dat aan dit artikellid onbeperkte terugwerkende kracht toekomt in die zin dat ook voor nalatenschappen als de onderhavige, waarvoor de bevoegdheid tot navordering op 1 januari 2012 reeds was vervallen, de in de tijd onbeperkte navorderingsbevoegdheid geldt. Het Hof heeft verder overwogen dat nu de wetgever geen expliciet terugwerkende kracht aan artikel 66, lid 3, van de SW heeft verleend, terwijl herleving van de navorderingsbevoegdheid fors ingrijpt op het wettelijk systeem, er naar het oordeel van het Hof geen grond is om te concluderen dat de navorderingsbevoegdheid is herleefd. Daartegen is het middel van de Staatssecretaris gericht. Belanghebbende heeft incidenteel beroep in cassatie ingesteld in verband met de afwijzing van zijn verzoek om een hogere proceskostenvergoeding te verkrijgen. De A-G merkt op dat het middel van de Staatssecretaris kennelijk strekt ten betoge dat deze wetswijziging zich uitstrekt tot alle verkrijgingen van buitenlands vermogen krachtens erfrecht in het verleden. Het lijkt de A-G dat als algemeen uitgangspunt moet dienen dat wetswijzigingen betrekking hebben op bestaande en toekomstige gevallen. Daarmee lijkt een argument tegen de in het middel verdedigde opvatting, dat deze afdoet aan de op destijds geldend recht gebaseerde verwachting, dat de navorderingstermijn was verstreken, zodat niet meer kon worden nagevorderd. Ter vergelijking kan worden gewezen op de vaste jurisprudentie van de strafkamer van de Hoge Raad inzake voltooide verjaringen, waaruit het overgangsrechtelijke uitgangspunt blijkt dat een reeds voltooide verjaring wordt geëerbiedigd. De A-G meent dat het weliswaar in het belastingrecht niet uitgesloten is dat een bepaald wettelijk overgangsrecht, als opgenomen in wetgeving in formele zin, zou kunnen inhouden dat reeds verjaarde gevallen alsnog herleven, maar dan moet de wetgever dat (ingrijpende) gevolg naar zijn mening expliciet hebben vastgelegd. Echter, daarvan is in casu geen sprake. Blijkens de tekst van artikel 66, derde lid, van de SW vervalt in afwijking van artikel 16, vierde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de bevoegdheid tot het vaststellen van een navorderingsaanslag niet. Het komt de A-G voor dat die wettekst ziet op een navorderingsbevoegdheid welke ten tijde van de inwerkingtreding van de wetswijziging nog bestaat. Immers, alleen dán kan een navorderingsbevoegdheid niet vervallen. In casu was de navorderingsbevoegdheid echter al eerder vervallen, zodat die niet meer bestond. Deze situatie wordt, naar de A-G meent, niet gedekt door de nieuwe wettekst. Ook memoreert de A-G dat de indieners van het amendement dat heeft geleid tot deze wetswijziging zich hebben gericht op gevallen in de afgelopen twaalf jaar. Dat duidt er zijns inziens op dat met de wetswijziging, door de indieners van het amendement, niet is beoogd gevallen te raken welke zich eerder hebben voorgedaan. Op een en ander stuit het middel van de Staatssecretaris af. In het incidentele beroep in cassatie van belanghebbende wordt opgekomen tegen ’s Hofs waardering, in het kader van de vaststelling van de hoogte van de proceskostenveroordeling, van het gewicht van de zaak als ‘gemiddeld’, wegingsfactor 1. De A-G meent dat dit oordeel, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie verder niet op juistheid kan worden getoetst, zodat het middel van belanghebbende faalt. De conclusie strekt ertoe dat zowel het beroep in cassatie van de staatssecretaris van Financiën als het incidenteel ingestelde beroep in cassatie van belanghebbende, ongegrond dient te worden verklaard.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken