Conclusie A-G Wattel 21 november 2017, ECLI:NL:PHR:2017:1300
Feiten: de belanghebbende had in 2013 geen arbeidsinkomen. Haar is een nihilaanslag IB/PVV 2013 opgelegd waarbij haar op grond van art. 8.9(2) Wet IB 2001 een algemene heffingskorting ad € 1.468 is uitbetaald in plaats van de maximale algemene heffingskorting ad € 2.001 die een partner mét arbeidsinkomen zou zijn toegekomen. Haar man is de belanghebbende in zaak nummer 17/02504. Hij was in 2013 de kostwinner. In geschil is of de verlaging en op termijn afschaffing van de algemene heffingskorting voor de niet-verdienende partner in een eenverdienershuishouden en het daardoor veroorzaakte verschil tussen tweeverdienergezinnen (2 x heffingkorting) en eenverdienergezinnen (12/3 x heffingkorting) in strijd komt met art. 1 Eerste Protocol EVRM (recht op ongestoord genot van eigendom), art. 4 EVRM (verbod op dwangarbeid) en 8 EVRM (vrijheid van onder meer gezinsleven) in samenhang met art. 14 EVRM en art. 26 IVPBR (discriminatieverbod) en zo ja, of de belanghebbende de volle algemene heffingskorting toekomt dan wel de korting op haar heffingskorting kan worden overgeheveld naar haar echtgenoot om in mindering te komen op diens belasting en premie. De Rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft haar beroep ongegrond verklaard. Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft ook haar hogere beroep ongegrond verklaard. A-G Wattel begrijpt dat de belanghebbende in de kern betoogt dat zij en haar man de vrijheid wordt ontnomen hun gezinsleven naar eigen inzicht in te richten doordat de keuze voor een eenverdienergezin fiscaal wordt bestraft doordat de wetgever het voor een bestaansminimum benodigde gezinsinkomen bij eenverdienergezinnen niet vrij van belasting laat. Hij maakt uit de wetgevings(geschiedenis) op dat het reeds in 1972 woedende debat tussen de fiscale draagkrachtindividualiseerders en de gezinsdraagkrachtvertegenwoordigers in het voordeel van de individualiseerders lijkt te zijn beslecht. De versnelde afbouw van de algemene heffingskorting wordt gebaseerd op ‘emancipatie’, ‘economische zelfstandigheid van vrouwen’ en ‘arbeidsparticipatie’ mede met het oog op het AOW-draagvlak. Dit kan door sommigen als economisch en wellicht ook levensbeschouwelijk désaveu van het klassieke eenverdienersgezin worden gezien, maar de A-G. acht dat geen schending van rechtstreeks werkende verdragsbepalingen. Art. 8 EVRM houdt geen verplichting in om te voorzien in een bestaansminimum, bepaalde sociale uitkeringen of tegemoetkomingen of een bepaalde levensstandaard, maar als daar wel voor is gekozen, dan moet die keuze non-discriminatoir moet worden gerealiseerd. De Nederlandse belastingwetgever heeft gekozen voor een zeer bescheiden voetvrijstelling en voor individualisering in plaats van gezinsdraagkracht. Dat kan invloed hebben op de inrichting van het gezinsleven (de bedoeling is immers dat beide partners gestimuleerd worden betaalde arbeid te verrichten, die meestal buitenshuis verricht wordt), zodat belanghebbendes zaak binnen het werkingsgebied van art. 8 EVRM valt. Bij gebrek aan concludente rechtspraak van het EHRM op dat punt, veronderstelt de A-G. voorts dat de afbouw van de uitbetaling van de vrijstelling aan de niet-verdienende partner een inmenging in het gezinsleven is, maar hij acht die inmenging toelaatbaar op grond van het tweede lid van art. 8 EVRM, nu (i) hij “in een democratische samenleving noodzakelijk” geacht kan worden “in het belang van (…) het economisch welzijn van het land (…)” en (ii) uit de rechtspraak van het EHRM blijkt dat bij nationale keuzen zoals hier aan de orde “(…) this Court must not rush to substitute its own judgment in place of the authorities who are best placed to assess and respond to the needs of society (…).” Wat art. 14 EVRM betreft, meent de A-G. dat het onderscheid tussen eenverdiener-gezinnen en tweeverdienergezinnen gerechtvaardigd kan worden door de verklaarde legitieme sociaal-economische doelen (i) bevordering van de arbeidsparticipatie van met name vrouwen, (ii) het lonender maken van werken, (iii) bevordering van de economische onafhankelijkheid van de minstverdienende partner en (iv) het zeker stellen van de houdbaarheid van de AOW. Deze doelen, met name de laatste twee, dienen onmiskenbaar het economische welzijn van een land. Disproportioneel kan de ongelijke behandeling met het oog op die doelen niet worden genoemd, mede gezien het overgangsrecht, dat rekening houdt met de traditionelere opvattingen van oudere generaties en de afbouw zeer geleidelijk realiseert. Dat het Duitse systeem met onder meer constitutionele toetsing en fiscale leefvorm-neutraliteit mogelijk beter of wenselijker is, is geen reden voor rechterlijk ingrijpen, en impliceert niet dat de Nederlandse rechter het EVRM hetzelfde zou moeten uitleggen als het BVerfG de Duitse Grundgesetz uitlegt. Gezien de ratio van de regeling is echter niet goed verklaarbaar waarom gezinnen met slechts één arbeidsinkomen maar met een aanmerkelijk belang of box 3-inkomen wél twee maal de volle heffingskorting kunnen verzilveren. Afzetting van heffingskortingen tegen box 2- of box 3-inkomen bevordert niet de arbeidsparticipatie, noch maakt het werken lonender. Onderscheid tussen vermogende en niet-vermogende echtparen is echter volgens de A-G. geen inbreuk op iemands persoonlijke levenssfeer en van discriminatie lijkt hem evenmin sprake omdat echtparen die niet respectievelijk wél in box 2 of 3 vallen niet als gelijke gevallen beschouwd hoeven te worden. Voor toegang tot op art. 1 Protocol I EVRM (eigendomsgrondrecht) is eigendom nodig, waarvoor minimaal vereist is een (i) redelijke en gerechtvaardigde verwachting dat een uit de wet voortvloeiende claim overeenkomstig de wettelijke bepaling zal worden afgewikkeld, die (ii) meer moet omvatten dan slechts de hoop dat bepaalde oude rechten zullen herleven en die (iii) uitzicht biedt op ‘effective enjoyment of a property right’. De A-G. acht kwestieus of belanghebbendes huwelijksvermogensrechtelijke aanspraak op levensonderhoud door haar echtgenoot voldoet aan die criteria, maar ook als dat zo zou zijn, ziet hij niet hoe die aanspraak haar geheel of deels zou worden ontnomen door de bestreden regeling. Een rechtstreekse huwelijksvermogensrechtelijke aanspraak op een deel van haar mans arbeidsinkomen heeft zij niet. Ad art. 4 EVRM meent de A-G. dat het de overtuigingskracht van belanghebbendes betoog niet geschaad zou hebben als zij de geleidelijke vermindering van de uitbetaling van de heffingskorting aan de niet-verdienende partner niet in verband zou hebben gebracht met slavernij, lijfeigenschap en dwangarbeid. Conclusie: cassatieberoep ongegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
- Artikel 11 AB
- Artikel 93 Gw
- Artikel 94 Gw
- Artikel 120 Gw
- Artikel 19 SW
- Artikel 24 SW
- Artikel 10 WFV
- Artikel 2.7 Wet IB 2001
- Artikel 8.1 Wet IB 2001
- Artikel 8.8 Wet IB 2001
- Artikel 8.9 Wet IB 2001
- Artikel 10 Wfsv
- Artikel 3 EVRM
- Artikel 4 EVRM
- Artikel 8 EVRM
- Artikel 14 EVRM
- Artikel 1 Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden
Aangehaalde uitspraken
- Hof 's-Hertogenbosch 13 april 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:1582
- EHRM 2 februari 2016, ECLI:CE:ECHR:2016:0202JUD000718609
- EHRM 8 december 2015, ECLI:CE:ECHR:2015:1208JUD006011912
- EHRM 25 juni 2013, ECLI:CE:ECHR:2013:0625JUD004957011
- EHRM 22 maart 2012, ECLI:CE:ECHR:2012:0322JUD003007806
- EHRM 7 juli 2011, ECLI:CE:ECHR:2011:0707JUD003976605
- EHRM 8 december 2009, ECLI:CE:ECHR:2009:1208JUD004915107
- HR 16 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:AY9475
- EHRM 26 juli 2005, ECLI:CE:ECHR:2005:0726JUD007331601
- EHRM 19 juli 2005, ECLI:CE:ECHR:2005:0719JUD000663803
- EHRM 30 november 2004, ECLI:CE:ECHR:2004:1130JUD004893999
- EHRM 10 juni 2003, ECLI:CE:ECHR:2003:0610DEC002779395
- EHRM 12 juli 2001, ECLI:CE:ECHR:2001:0712JUD004252798
- HR 21 februari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB0161
- EHRM 16 september 1996, ECLI:CE:ECHR:1996:0916JUD001737190
- EHRM 20 november 1995, ECLI:CE:ECHR:1995:1120JUD001784991
- EHRM 23 februari 1995, ECLI:CE:ECHR:1995:0223JUD001537589
- HR 27 september 1989, ECLI:NL:HR:1989:ZC4110