Conclusie A-G Niessen 18 augustus 2016, ECLI:NL:PHR:2016:900
Artikel 32bb lid 7 (oud) zondert loon dat is genoten ter zake van de uitoefening of vervreemding van zowel in t-2 of eerder toegekende onvoorwaardelijke, als in t-2 of eerder toegekende voorwaardelijke aandelenoptierechten uit van de vertrekvergoeding. Belanghebbende heeft van 2007 tot 2010 aan haar werknemers voorwaardelijke aandelenoptierechten toegekend. In 2011 zijn de aandelenoptierechten van werknemers A,B,C en D onvoorwaardelijk geworden en uitgeoefend. Datzelfde jaar of het jaar daarna zijn hun dienstbetrekkingen beëindigd en is aan hen een ontslagvergoeding toegekend. De voordelen die door genoemde werknemers ter zake van de uitoefening van de aandelenoptierechten zijn genoten heeft de inspecteur tot de vertrekvergoeding gerekend. De uitzondering neergelegd in artikel 32bb, lid 7, Wet LB 1964 is volgens de inspecteur niet van toepassing, aangezien het zevende lid uitsluitend ziet op aandelenoptierechten die eerder dan het jaar voorafgaande aan het vertrek van de werknemers (vóór t-1) onvoorwaardelijk zijn geworden. Belanghebbende stelt dat aandelenoptierechten, die zijn toegekend vóór t-1 maar nog niet onvoorwaardelijk zijn geworden, ook van de vertrekvergoeding zijn uitgezonderd. Gerechtshof Den Haag heeft net als de rechtbank overwogen dat noch in de tekst van de wet, noch in de parlementaire geschiedenis van 32bb Wet LB 1964, noch in die van artikel 10a Wet LB 1964, steun te vinden is voor de opvatting van de inspecteur dat voor de toepassing van artikel 32bb lid 7 Wet LB 1964 een onderscheid moet worden gemaakt tussen in het jaar van beëindiging bestaande optierechten die nog niet onvoorwaardelijk zijn maar dat worden in het jaar van beëindiging enerzijds en onvoorwaardelijk toegekende optierechten anderzijds. De staatssecretaris van Financiën heeft beroep in cassatie ingesteld. De A-G acht het op basis van de parlementaire geschiedenis aannemelijk dat met de bewoordingen in artikel 32bb, lid 7, Wet LB 1964 wordt gedoeld op zowel onvoorwaardelijk als voorwaardelijk toegekende aandelenoptierechten. Uit de wetsgeschiedenis blijkt namelijk dat de wetgever beoogd heeft om in het kader van artikel 32bb Wet LB 1964 een onderscheid tussen aandelenoptierechten te maken gebaseerd op de aannemelijkheid dat zij verband houden met het einde van de dienstbetrekking. Van vóór t-1 toegekende voorwaardelijke aandelenoptierechten kan over het algemeen net zo min worden gesteld dat zij verband houden met het einde van de dienstbetrekking als van op hetzelfde tijdstip toegekende onvoorwaardelijke aandelenoptierechten. De A-G concludeert daarom dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- Hof Den Haag 24 februari 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:441
- Rb. Den Haag 9 oktober 2014, ECLI:NL:RBDHA:2014:12898
- HR 20 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1463
- Conclusie A-G Niessen 24 september 2013, ECLI:NL:PHR:2013:979
- Hof Arnhem-Leeuwarden 12 februari 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:BZ1428
- Hof 's-Hertogenbosch 2 augustus 2012, ECLI:NL:GHSHE:2012:BX4437
- HR 21 november 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD3164
- HR 6 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA2140
- HR 8 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ3873
- Hof Amsterdam 16 juni 2005, ECLI:NL:GHAMS:2005:AT8223
- HR 4 maart 2005, ECLI:NL:HR:2005:AO3070
- Hof Amsterdam 2 februari 2005, ECLI:NL:GHAMS:2005:AT4472
- HR 18 maart 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC6992