Conclusie A-G Niessen 16 augustus 2016, ECLI:NL:PHR:2016:863
Vaststelling van de verkrijgingsprijs van het aanmerkelijk belang van een immigrant in een in Nederland gevestigde vennootschap op historische kostprijs levert geen strijd op met het belastingverdrag Nederland-België. Belanghebbende is op of omstreeks 18 december 1991 geëmigreerd naar België. Eind 1994 heeft belanghebbende een aanmerkelijk belang verkregen in een in Nederland gevestigde BV. Voor dit aanmerkelijk belang heeft belanghebbende een bedrag van € 9.075 betaald. Op 11 maart 2003 is belanghebbende geremigreerd naar Nederland. De waarde van het aanmerkelijk belang bedroeg op dat moment € 611.640. Over de waardeaangroei vanaf het moment van verkrijging van de aandelen tot het moment van remigratie is in België geen belasting geheven. De inspecteur heeft de verkrijgingsprijs van het aanmerkelijk belang vastgesteld op historische kostprijs. In de optiek van belanghebbende heeft de inspecteur ten onrechte geen rekening gehouden met de waardeaangroei van de aandelen vanaf het moment van verkrijging van de aandelen tot het moment van remigratie. Belanghebbende is in beroep gekomen. Rechtbank Den Haag (hierna: de Rechtbank) heeft het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard. De Rechtbank overweegt hiertoe dat belanghebbende vanaf het moment van verkrijging van de aandelen tot het moment van remigratie buitenlands belastingplichtig was in Nederland, en België geen belasting naar het inkomen en naar het vermogen heeft geheven op het moment van remigratie. Dat België ingevolge het belastingverdrag Nederland-België (hierna: het Verdrag) heffingsgerechtigd zou zijn geweest ter zake van de waardeaangroei van de aandelen op het moment dat de aandelen zouden zijn vervreemd tijdens belanghebbendes verblijf in België doet hier volgens de Rechtbank niet aan af, nu zulks zich niet heeft voorgedaan en zich derhalve geen belastbaar feit heeft voorgedaan in de zin van het Verdrag, dat mitsdien in casu niet van toepassing is. Belanghebbende heeft sprongcassatie ingesteld. A-G Niessen concludeert dat het cassatieberoep ongegrond dient te worden verklaard. Het is de bedoeling van de wetgever geweest om in een geval als het onderhavige, waarin een aandeelhouder reeds voor zijn immigratie buitenlands belastingplichtig was omdat hij een aanmerkelijk belang houdt in een Nederlandse vennootschap, het aanmerkelijk belang te waarderen op historische kostprijs. Aan België is nooit een heffingsrecht toegekomen ten aanzien van de vermogensaanwas van de aandelen, nu de aandelen nooit vervreemd zijn. Dat Nederland bij immigratie de verkrijgingsprijs van het aanmerkelijk belang heeft vastgesteld op historische kostprijs, levert dan ook geen strijd op met het Verdrag.
De uitspraak op rechtspraak.nl