Rb. Breda 8 maart 2010, ECLI:NL:RBBRE:2010:BL8603
Inkomstenbelasting 2001 Belanghebbende is in 1993 geëmigreerd naar België. Circa één jaar later heeft zij een Nederlandse B.V. opgericht. Bij haar remigratie in 2001 was zij nog steeds enig aandeelhoudster van de in Nederland gevestigde B.V. In de beschikking verkrijgingsprijs aanmerkelijkbelangaandelen zijn de aandelen gewaardeerd op de historische kostprijs. Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende volgens de de letter van de wet geen recht heeft op een zogeheten step-up. Naar het oordeel van de rechtbank is dit niet in strijd met hetgeen Nederland en België in het verdrag ter voorkoming van dubbele belasting zijn overeengekomen of met de goede trouw die als verdragspartner is vereist en evenmin met regels van Europees recht. Belanghebbende was, als buitenlands belastingplichtige, ook vóór haar remigratie in Nederland belastingplichtig voor de winst uit aanmerkelijk belang. Uitsluitend het verdrag met België stond aan de heffing van vervreemdingsvoordelen in de weg. Na remigratie komt belanghebbende in de situatie zoals die zou zijn zonder toepassing van het verdrag met België en het niet verlenen van een step-up is slechts een bevestiging hiervan. Bovendien is heffing door het woonland over de gehele waardeaangroei in overeenstemming met de OESO-regels. Er is geen sprake van een verboden belemmering van de vrijheid van vestiging.
De uitspraak op rechtspraak.nl