Conclusie A-G Wattel 14 april 2016, ECLI:NL:PHR:2016:297

Overeenkomst tussen bijstandsgerechtigde en stichting met als doel detachering bij derden. Privaatrechtelijke dienstbetrekking ex art. 7:610 BW (arbeidsovereenkomst) dan wel art. 7:690 BW (uitzendovereenkomst)? Feiten: De belanghebbende ontving bijstand van de gemeente Meerssen op grond van de WWB. De gemeente heeft de stichting [E] opdracht gegeven om WWB-gerechtigden in dienst te nemen en te detacheren bij inlenende bedrijven. Op 25 oktober 2010 is de belanghebbende met [E] een overeenkomst voor bepaalde tijd aangegaan die [E] aanduidt als ‘werkgever’ en de belanghebbende als ‘werknemer’, en die een ‘salaris’ bepaalt gelijk aan belanghebbendes WWB-uitkering. Een kennismakingsgesprek voor een werkplek bij de buitendienst van [G] is niet doorgegaan wegens een longinfectie bij de belanghebbende, die zich op 21 januari 2011 heeft ziek gemeld bij [E]. Toen op 22 april 2011 de overeenkomst van rechtswege eindigde, had de belanghebbende noch bij een inlener, noch anderszins gewerkt. Belanghebbendes aanvraag voor een uitkering op grond van de Ziektewet is door het UWV afgewezen wegens het ontbreken van een privaatrechtelijke dienstbetrekking, met name van de daarvoor vereiste arbeid. Volgens de Rechtbank heeft de belanghebbende niet in privaatrechtelijke dienstbetrekking gestaan tot [E] omdat hun overeenkomst niet strekte tot het verrichten van arbeid, maar tot aanbod van en deelname aan re-integratieactiviteiten die geen doel op zichzelf waren, maar slechts een middel om belanghebbendes re-integratie in het arbeidsproces te bevorderen. De CRvB oordeelde in hoger beroep dat de overeenkomst ertoe strekte dat de belanghebbende door [E] zou worden gedetacheerd bij een inlener, en niet mede de bedoeling inhield dat de belanghebbende bij [E] zelf zou gaan werken. Belanghebbendes verplichting om zich beschikbaar te houden voor werkzaamheden bij een inlener was volgens de CRvB niet anders dan de op grond van art. 9(1)(a) WWB reeds geldende verplichting om naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en te aanvaarden. De belanghebbende heeft daarom niet ex art. 7:610 BW in een privaatrechtelijke dienstbetrekking tot [E] gestaan. Volgens de CRvB is evenmin een inleenovereenkomst met een derde tot stand gekomen, zodat evenmin een privaatrechtelijke dienstbetrekking tot stand is gekomen over de band van de uitzendovereenkomst ex art. 7:690 BW. In cassatie stelt de belanghebbende dat de CRvB ten onrechte een inleenovereenkomst met een derde vereist acht voor een arbeidsovereenkomst. Zijns inziens is reeds de overeenkomst tussen de belanghebbende en [E] een privaatrechtelijke dienstbetrekking ex art. 7:610 BW. Zou een inleenovereenkomst wel zijn vereist, dan is volgens de belanghebbende aan die eis voldaan, nu zo’n overeenkomst vormvrij is en in casu blijkt uit correspondentie. Volgens A-G Wattel kon de CRvB, gezien HR BNB 2011/205 en HR BNB 2012/129 (over de beoordeling of zich een dienstbetrekking voordoet) en gezien de strekking van art. 9(1)(a) WWB (verplichtingen bijstandsgerechtigde) oordelen dat voor zover belanghebbendes plicht om zich beschikbaar te houden om bij een inlener te werken ‘arbeid’ opleverde, die ‘arbeid’ niet voortvloeide uit de overeenkomst, maar uit art. 9(1)(a) WWB. De CRvB heeft volgens de A-G ook terecht geoordeeld, mede gezien HR NJ 2007, 446 en de in Cassatie onaantastbare vaststelling dat de overeenkomst niet mede de strekking had dat de belanghebbende bij [E] zelf zou gaan werken, dat er tussen hen geen arbeidsovereenkomst ex art. 7:610 BW tot stand is gekomen, nu de vereiste ‘arbeid’ ontbrak. Eveneens in cassatie onaantastbaar is de vaststelling dat geen inleenovereenkomst tot stand is gekomen tussen [E] en [G], zodat geen driehoeksarbeidsrelatie is ontstaan tussen [E], [G] en de belanghebbende en dus evenmin een arbeidsovereenkomst is ontstaan over de band van art. 7:690 BW (uitzendovereenkomst). Welke visie men aanhangt in de civielrechtelijke discussie over de verhouding tussen art. 7:610 en art. 7:690 BW doet dan niet ter zake. Dat een inleenovereenkomst vormvrij is, doet evenmin ter zake als geen inleenovereenkomst is gesloten zoals in cassatie vaststaat. Anders dan de belanghebbende betoogt, is volgens A-G Wattel in belanghebbendes geval wel een inleenovereenkomst met een derde vereist om tot een arbeidsovereenkomst te komen, nu de overeenkomst met [E] er niet mede toe strekte dat de belanghebbende bij [E] zelf werkzaamheden zou gaan verrichten. Ook als dat anders zou zijn, kan volgens de A-G, gezien de beperkte cassatiegronden, in cassatie niet afgeweken worden van ‘s Raads oordelen dat (i) de belanghebbende zich slechts beschikbaar moest houden voor arbeid bij een derde en niet bij [E] zelf en (ii) datgene waartoe de overeenkomst tussen de belanghebbende en [E] de belanghebbende verplichtte, niet of onvoldoende verschilde van dat waartoe de laatste reeds verplicht was op grond van art. 9(1)(a) WWB. Een mogelijk verkeerde uitleg van die bepaling door de CRvB is geen wettelijk toegestane cassatiegrond. Het vergelijkbare geval waarop de belanghebbende zich beroept, is volgens de A-G niet vergelijkbaar, en overigens is schending van het gelijkheidsbeginsel evenmin een toegestane cassatiegrond. Conclusie: cassatieberoep ongegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken