Conclusie A-G IJzerman 22 februari 2018, ECLI:NL:PHR:2018:182

A-G IJzerman heeft conclusie genomen naar aanleiding van het beroep in (sprong)cassatie van Vereniging [X], belanghebbende, tegen de uitspraak van de rechtbank Noord Nederland van 20 december 2016, ECLI:NL:RBNNE:2016:5796. Belanghebbende heeft het recht van erfpacht van een aantal onbewoonde percelen natuurterrein, gelegen binnen het gebied van de Waddenzee. De Provinciale Staten van Friesland en Groningen hebben aan Wetterskip Fryslân (het Waterschap) de waterstaatkundige verzorging opgedragen voor het gebied waarin de onderhavige percelen gelegen zijn. Deze taak omvat de zorg voor het watersysteem en de zorg voor het zuiveren van afvalwater. Ter dekking van de kosten die zijn verbonden aan de zorg voor het watersysteem, wordt door het Waterschap de watersysteemheffing geheven. Aan belanghebbende is door de heffingsambtenaar van het Waterschap voor het jaar 2014 (voor het eerst, voordien was die heffing er niet) een aanslag in de Waterschapsbelastingen opgelegd naar een te betalen bedrag aan watersysteemheffing van € 27.857,11. Na vergeefs bezwaar en beroep komt belanghebbende thans op in cassatie. De kern van het cassatieberoep van belanghebbende is het volgende. Aangezien ingevolge de Waterwet het watersysteembeheer van de Waddenzee berust bij het Rijk (c.q. Rijkswaterstaat), stelt belanghebbende zich op het standpunt dat het Waterschap in zoverre (niettegenstaande dat de Waddenzee behoort tot zijn taakgebied) niet de waterstaatkundige verzorging van zijn gebied ten doel heeft en daarom in zoverre evenmin de zorg voor het watersysteem. Daardoor zou het Waterschap überhaupt niet bevoegd zijn tot watersysteemheffing ten laste van de percelen en daarom zou de Heffingsverordening onverbindend zijn, althans komt zodanige watersysteemheffing volgens belanghebbende neer op een willekeurige en onredelijke heffing die de wetgever niet kan hebben gewild. De A-G noemt dat de Rechtbank, onbestreden in cassatie, aannemelijk heeft geacht dat de watersysteemzorgtaak van het Waterschap en diens werkzaamheden zich ook uitstrekken tot de percelen van belanghebbende en in zijn algemeenheid tot de Waddenzee. De A-G begrijpt dat belanghebbende aldus nut heeft ondervonden van de door het Waterschap genomen waterkwaliteitsmaatregelen. Op grond van de toepasselijke regelgeving, als gebaseerd op de Waterschapswet, is de taak van het Waterschap de waterstaatkundige verzorging van zijn gebied, voor zover deze taak niet aan andere publiekrechtelijke lichamen is opgedragen. Die taak omvat de zorg voor de watersystemen en de zorg voor het zuiveren van afvalwater, met name door middel van zuiveringstechnisch werken in beheer bij het waterschap. Belanghebbende betoogt dat de voornoemde taak wettelijk aan een ander publiekrechtelijk lichaam, te weten het Rijk, is opgedragen, hetgeen zou betekenen dat het Waterschap ten aanzien van de percelen van belanghebbende geen taak mag uitvoeren, zodat het Waterschap niet heffingsbevoegd is. De A-G merkt op dat slechts beslissend is of in algemene zin belang bestaat bij de taakvervulling van het waterschap. De Waterschapswet heeft tot uitgangspunt dat de relatie tussen de mate van belang en de omvang van de te verlangen betaling een globale is, waarbij naar rato van het belang ruimte is voor tariefdifferentiatie. Ik casu staat volgens de A-G vast dat belanghebbende nut heeft ondervonden van de door het Waterschap genomen waterkwaliteitsmaatregelen. Het lijkt de A-G goed daarbij onder ogen te blijven zien om wat voor type heffing het hier gaat. De watersysteemheffing is geen retributie, in de zin van een gedwongen betaling aan de overheid waartegenover een rechtstreeks aanwijsbare individuele contraprestatie van de overheid staat. De watersysteemheffing is, naar de A-G meent, aan te merken als een bestemmingsheffing ter dekking, door middel van omslag, van de door een waterschap gemaakte kosten van de zorg voor het watersysteem, binnen zijn beheersgebied. De taak van het Waterschap is ‘zorg voor het watersysteem’. Daarmee heeft de regelgever volgens de A-G willen benadrukken dat de tot dan toe afzonderlijk benoemde taken een nauwe onderlinge samenhang kennen en als één integrale taak moeten worden uitgevoerd. Die term impliceert, naar de A-G meent, niet dat alle zorg in het waterschapsgebied aan het Waterschap is toegekend, maar laat ruimte voor andere overheden om andere taken uit te oefenen binnen het gebied dat ook wordt bediend door het Waterschap. In overeenstemming daarmee is in het Reglement opgenomen dat het Waterschap verantwoordelijk is voor zover deze taak niet bij andere publiekrechtelijke lichamen berust. Het komt de A-G voor dat de wijze waarop het Waterschap hier zijn taken en bevoegdheden heeft afgebakend in overeenstemming te achten is met de hier toepasselijke formele wetgeving. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond dient te worden verklaard.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken