Conclusie A-G Niessen 14 januari 2016, ECLI:NL:PHR:2016:14
Belanghebbende heeft tot en met 2010 onroerende zaken ter beschikking gesteld aan de maatschap van haar echtgenoot. Deze vermogensbestanddelen behoorden op grond van de terbeschikkingstellingsregeling (artikel 3.91 Wet IB 2001) tot haar werkzaamheidsvermogen. Wegens toetreding tot een VOF in 2010, waarin de onderneming van haar echtgenoot is voortgezet, zijn deze vermogensbestanddelen tot haar ondernemingsvermogen gaan behoren. In geschil is (i) of een ingevolge artikel 3.91 Wet IB als werkzaamheid aangemerkte terbeschikkingstelling kwalificeert als werkzaamheid in de zin van de doorschuifregeling van artikel 3.99 Wet IB 2001 en (ii) of de overgang van belanghebbendes vermogensbestanddelen van de werkzaamheidssfeer naar de ondernemingssfeer kwalificeert als ‘uitgroei’ van een werkzaamheid naar een onderneming als bedoeld in artikel 3.99 Wet IB 2001. De Rechtbank ziet geen reden het begrip werkzaamheid in artikel 3.99 Wet IB 2001 beperkter uit te leggen dan artikel 3.91 Wet IB 2001. Ook het begrip ‘uitgroeien tot’ moet volgens de Rechtbank niet beperkt worden uitgelegd. Volgens de Rechtbank werd oorspronkelijk slechts een vermogensbestanddeel ter beschikking gesteld, en is die enkele activiteit bij de overgang naar de onderneming onderdeel van deze onderneming geworden en daarmee uitgegroeid tot een groter geheel aan activiteiten. Gelet daarop acht de Rechtbank artikel 3.99 Wet IB 2001 van toepassing, zodat de winst op de vermogensbestanddelen doorgeschoven dient te worden naar de onderneming. De Staatssecretaris heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank sprongcassatie ingesteld. A-G Niessen gaat eerst in op de vraag of de terbeschikkingstelling op grond van artikel 3.91 Wet IB 2001 een werkzaamheid is in de zin van artikel 3.99 Wet IB 2001. De A-G overweegt dat in het systeem der wet ervan uit moet worden gegaan dat het begrip “werkzaamheid” in artikel 3.99 Wet IB 2001 dezelfde betekenis heeft als in de andere artikelen van afdeling 3.4. Er zijn geen aanwijzingen dat de wetgever, toen hij de tbs-regeling in die afdeling onderbracht, artikel 3.99 Wet IB 2001 niet op die regeling van toepassing wilde laten zijn. Volgens de A-G kan dan ook worden aangenomen dat de terbeschikkingstelling aan het samenwerkingsverband vóór de toetreding tot de VOF kwalificeerde als werkzaamheid in de zin van artikel 3.99 Wet IB 2001. Vervolgens gaat de A-G in op de vraag of sprake is van het ‘uitgroeien’ van werkzaamheden tot een onderneming als bedoeld in artikel 3.99 Wet IB 2001. Volgens de A-G is de betekenis van de term ‘uitgroeien tot een onderneming’ in de parlementaire toelichting summier toegelicht. Wel blijkt dat de faciliteit is geïntroduceerd ter bevordering van het ondernemerschap. Dit volgt tevens uit het feit dat voor de omgekeerde situatie (de overgang van vermogensbestanddelen van de ondernemingssfeer naar de werkzaamheidssfeer) bewust geen doorschuiffaciliteit is geïntroduceerd. Het komt de A-G voor dat het begrip ‘uitgroeien’ impliceert dat een bestaande activiteit enerzijds behouden blijft en anderzijds op enigerlei wijze wordt uitgebreid. In het onderhavige geval behoudt belanghebbende de eerder ter beschikking gestelde vermogensbestanddelen en stelt zij deze nog steeds ter beschikking aan de onderneming van haar echtgenoot. Tevens breidt zij deze activiteit, die eerst louter de verpachting van de onroerende zaken inhield, uit door rechtstreeks in het vermogen en de winst van het(zelfde) bedrijf te participeren. Derhalve kan volgens de A-G worden gesproken van uitgroeien als bedoeld in artikel 3.99 Wet IB 2001. Deze conclusie doet tevens recht aan de ratio van de regeling: het bevorderen van ondernemerschap door bij uitbreiding van werkzaamheden heffing achterwege te laten. Het bestaan van artikel 3.98 Wet IB 2001 doet hier niet aan af. De reden dat artikel 3.98 Wet IB 2001 is geïntroduceerd naast 3.99 Wet IB 2001, is volgens de A-G dat de wetgever geruisloze overgang van ter beschikking gestelde vermogensbestanddelen bij terugkeer uit de BV heeft willen beperken tot de gevallen waarin is voldaan aan de eisen van artikel 14c Wet Vpb. Dat de wetgever ervoor heeft gekozen de in artikel 3.92 Wet IB 2001 genoemde situatie afzonderlijk te faciliteren in artikel 3.98 Wet IB 2001, staat volgens de A-G niet eraan in de weg dat in andere gevallen, zoals die waarin sprake is van de (overgang van een) terbeschikkingstelling als bedoeld in 3.91 Wet IB 2001, wél onder de reikwijdte vallen van de algemene doorschuifregeling van artikel 3.99 Wet IB 2001. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën ongegrond dient te worden verklaard.
De uitspraak op rechtspraak.nl