Hof 's-Hertogenbosch 23 december 2010, ECLI:NL:GHSHE:2010:BQ0432

Belanghebbende is samen met zijn echtgenote eigenaar van de aandleen van een BV die een landbouwbedrijf exploiteert. De onroerende zaken, in eigendom van belanghebbende en zijn echtgenote, worden met ingang van 1 oktober 1993 voor 12 jaar aan de BV verpacht. Medio 2001 heeft de BV het melkveebedrijf gestaakt en het melkquotum verhuurt. De pachtovereenkomst is op 27 februari 2003 om niet beëindigd. De verpachting wordt met ingang van 1 januari 2001 gezien als een ter beschikking stelling in de zin van artikel 3.92 Wet IB 2001. De inspecteur corrigeert het aangegeven inkomen 2002 met het verschil tussen de waarde vrij en de waarde verpacht als resultaat uit overige werkzaamheid. Het Hof stelt eerst vast dat het bij de beëindiging van het pachtcontract uitgaat van zakelijk handelende partijen. Over de waarde verpacht en de waarde vrij is naar het oordeel van het Hof een bindend compromis tot stand gekomen. Op de keuze voor toereking aan het jaar 2002 kan belanghebbende niet meer terugkomen, nu die keuze op grond van goed koopmansgebruik juist was. Het standpunt van de inspecteur dat er sprake is van box 1 inkomen acht het HOf juist en gelet op de wetsgeschiedenis is artikel 3.99 niet van toepassing. Het hoger beroep van belanghebbende is op alle punten ongegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen