Conclusie A-G Niessen 15 maart 2016, ECLI:NL:PHR:2016:120
Belanghebbende heeft schuldvorderingen verkregen op zijn dochters, alsmede een belastingschuld aan de ontvanger. Deze belastingschuld is op basis van artikel 5.3, derde lid, onderdeel b Wet IB 2001 uitgezonderd van de grondslag van box 3. Op 20 december 2010 heeft belanghebbende de vorderingen aan zijn BV gecedeerd en geleverd tegen schuldigerkenning van de koopsom door de BV aan belanghebbende. Gelijktijdig zijn de BV en belanghebbende overeengekomen dat de BV de belastingschuld over zal nemen. Belanghebbende is ten aanzien van die gewenste overneming het bedrag van de contante waarde van de schuld aan de BV schuldig gebleven. De ontvanger heeft niet ingestemd met de overneming van de belastingschuld, zodat de overneming ten aanzien van de crediteur (de ontvanger) geen werking heeft. De schuld en vordering die in de verhouding tussen de BV en belanghebbende zijn ontstaan als gevolg van de cessie en gewenste schuldoverneming worden met elkaar en met een bestaande rekeningcourantverhouding verrekend, zodat ultimo 2010 een relatief kleine rekeningcourantschuld van belanghebbende aan de BV resteert. De rechtbank Noord-Holland heeft geoordeeld dat het niet volledig voldoen aan de voorwaarden voor overneming, meebrengt dat de belastingschuld het vermogen van belanghebbende niet heeft verlaten. Daarnaast is in de verhouding tussen belanghebbende en de BV een rechtsvordering van belanghebbende op de BV ontstaan die als ter beschikking gesteld vermogen tot de grondslag van box 1 behoort. Het gerechtshof Amsterdam (hierna: het Hof) verklaart het hoger beroep van belanghebbende gegrond en oordeelt dat de draagplicht van de schuld niet meer bij belanghebbende, maar bij de BV ligt. Dit heeft volgens het Hof tot gevolg dat de schuld het vermogen van belanghebbende heeft verlaten. Er komt in de verhouding tussen belanghebbende en de BV ook geen tbs-vordering tot stand. A-G Niessen meent dat de overname op civielrechtelijke gronden slechts effect heeft in de verhouding tussen belanghebbende en de BV, omdat de ontvanger geen toestemming heeft verleend voor de overname. De ontvanger kan slechts belanghebbende aanspreken tot het voldoen van de schuld en belanghebbende heeft nog steeds een schuld aan de ontvanger. In de rechtsverhouding tussen belanghebbende en de BV resulteert een rechtsvordering die inhoudt dat belanghebbende van de BV kan vorderen dat deze namens hem aan de ontvanger de (vervallen termijn van) de belastingschuld voldoet op het moment dat de ontvanger belanghebbende aanspreekt tot betaling. Deze rechtsvordering valt als ter beschikking gesteld vermogen in box 1. De A-G meent dat het Hof, door te oordelen dat de schuld het vermogen van belanghebbende heeft verlaten – waarmee het in feite in gedachten de waarde van de belastingschuld ‘weg’ saldeert tegen de waarde van de rechtsvordering (welke waardes aan elkaar gelijk zijn) – uitgaat van een onjuiste rechtsopvatting. Een dergelijk wegstrepen van de rechtsvordering tegen de belastingschuld is fiscaal-juridisch niet toelaatbaar omdat de belastingschuld tot de werkingssfeer van box 3 behoort, terwijl de rechtsvordering tot de werkingssfeer van box 1 behoort. Binnen de werkingssfeer van box 3 wordt de belastingschuld vervolgens uitgesloten op basis van artikel 5.3, derde lid onderdeel b Wet IB 2001. Het middel van de Staatssecretaris slaagt. Vervolgens gaat de A-G in op belanghebbendes bij het Hof onbehandeld gebleven klachten. De A-G meent dat de tbs-vordering, die belanghebbende en de BV op contante waarde hebben gewaardeerd, in de tijd een waardeontwikkeling ondergaat. Deze waardeontwikkeling is naar tijdsgelang belast als resultaat uit overige werkzaamheid. De eerste klacht van belanghebbende faalt. De A-G meent ook dat de belastingschuld niet een schuld is die ‘rechtstreeks samenhangt’ (zoals bedoeld in artikel 3.92, onderdeel a, eerste lid Wet IB 2001) met de tbs-vordering. Derhalve treft ook de tweede klacht geen doel. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van de Staatssecretaris gegrond dient te worden verklaard.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- Hof Amsterdam 23 april 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:2191
- Rb. Noord-Holland 25 januari 2013, ECLI:NL:RBNHO:2013:BZ0290
- HR 14 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX7157
- HR 15 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN8728
- HR 22 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BI1196
- Conclusie A-G Niessen 22 januari 2010, ECLI:NL:PHR:2010:BI1196
- HR 9 juli 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP9667
- HR 6 december 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA8866
- HR 18 december 1991, ECLI:NL:HR:1991:BH8011
- HR 28 februari 1968, ECLI:NL:HR:1968:AX6024
- HR 24 juni 1959, ECLI:NL:HR:1959:AY1759
- HR 8 oktober 1958, ECLI:NL:HR:1958:AY1268