Conclusie A-G van Hilten 30 maart 2015, ECLI:NL:PHR:2015:364

Belanghebbende heeft in opdracht van [A] B.V., op eigen naam en voor eigen rekening, achttien aangiften gedaan voor het in het vrije verkeer brengen van voedingssupplementen (hierna: de goederen). [A] B.V. heeft de goederen bij haar Amerikaanse zustermaatschappij, [C] Inc. (hierna: [C]) besteld, die de goederen op haar beurt bestelde bij een niet-verbonden (Amerikaanse) fabrikant. [C] en [A] B.V. hebben een ‘contract of delivery’ gesloten. Deze overeenkomst is aangevuld met een ‘supplement’. Voor de goederen heeft [A] B.V. [C] de in het contract of delivery overeengekomen prijs en de in het supplement overeengekomen commissie/provisie betaald. Daarnaast heeft [A] B.V. maandelijks een handling fee van 0,25% van het provisiebedrag betaald aan [C]. Naar aanleiding van het onderzoek van de FIOD-ECD heeft de Inspecteur zich op het standpunt gesteld dat onjuiste douanewaarden zijn aangegeven en heeft hij – zonder belanghebbende vooraf te informeren over het voornemen om douanerechten na te vorderen – uitnodigingen tot betaling (hierna: utb’s) aan belanghebbende uitgereikt. Zowel Rechtbank Haarlem (hierna: de Rechtbank) als Hof Amsterdam (hierna: het Hof) zijn van oordeel dat de Inspecteur het verdedigingsbeginsel heeft geschonden, maar dat dat niet leidt tot vernietiging van de utb’s. Voorts hebben de Rechtbank en het Hof geoordeeld dat de Inspecteur het zorgvuldigheidsbeginsel niet heeft geschonden door (alleen) belanghebbende uit te nodigen tot betaling en niet de importeur en dat belanghebbende geen beroep kan doen op artikel 220, lid 2, onder b, van het Communautair douanewetboek (hierna: CDW). Ten aanzien van de commissie/provisie en handling fees komen de Rechtbank en Hof tot een tegengesteld oordeel. De Rechtbank is van oordeel dat deze bedragen niet tot de douanewaarde van de goederen behoren, terwijl het Hof van oordeel is dat deze bedragen een voorwaarde voor de verkoop vormen en derhalve tot douanewaarde behoren. A-G Van Hilten merkt op dat de nadruk van deze conclusie ligt op de vraag of het verdedigingsbeginsel is geschonden doordat belanghebbende niet voorafgaand aan het opleggen van de utb’s de gelegenheid is gegeven om haar standpunt omtrent (het voornemen tot vaststellen van) deze utb’s kenbaar te maken en – zo ja – wat de gevolgen daar van zijn. De overige aspecten zullen daarna (kort) aan de orde komen. De A-G constateert allereerst dat een besluit tot navordering van douanerechten binnen de werkingssfeer van het Unierecht valt, waardoor toetsing van het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel aan de orde is. Bij de beantwoording van de vraag of het verdedigingsbeginsel is geëerbiedigd, is het uitgangspunt dat een justitiabele moet worden gehoord voordat jegens hem een bezwarend besluit wordt genomen. In de onderhavige zaak is belanghebbende niet gehoord. Dit hoeft volgens de A-G echter niet te betekenen dat het verdedigingsbeginsel is geschonden. Weliswaar is het uitgangspunt dat gehoord moet worden voordat een bezwarend besluit wordt genomen, maar denkbaar is dat een algemeen belang gediend wordt voor het niet-vooraf horen. Uit het arrest van 3 juli 2014, Kamino International Logistics B.V. en Datema Hellmann Worldwide Logistics B.V., gevoegde zaken C-129/13 en C-130/13, ECLI:EU:C:2014:2041 (hierna: arrest Kamino) leidt zij namelijk af dat het Hof van Justitie het algemene belang van de Unie dat is gediend met het ‘eerst heffen, dan horen’, vindt in de snelle inning van de eigen middelen. Uitgaande van dit algemene belang moet vervolgens worden beoordeeld of de ‘ingreep’, te weten het pas in de bezwaarfase horen, onevenredig c.q. onduldbaar is. Zij leidt (wederom) uit het arrest Kamino af dat de (on)evenredigheid c.q. (on)duldbaarheid van het ‘eerst heffen dan horen’ afhangt van de vraag of de nadelige gevolgen van de utb kunnen worden ‘gestuit’ en achteraf ongedaan kunnen worden gemaakt doordat de betaling kan worden uitgesteld in geval van bezwaar en de utb kan worden geschorst in afwachting van de uitkomsten van bezwaar en beroep volgens de nationale regels. Dat betekent volgens de A-G overigens niet dat uitstel van betaling automatisch moet worden verleend in geval van bezwaar, ook niet indien de belanghebbende niet voorafgaand aan de utb is gehoord. Op grond van artikel 25, lid 7, van de Invorderingswet 1990 en de Leidraad Invordering 1990 (hierna: de Leidraad) geschiedt het verlenen van uitstel van betaling weliswaar niet automatisch, maar wordt het indienen van een bezwaarschrift tegen een aanslag als verzoek om uitstel aangemerkt. Nu het tegendeel is gesteld noch gebleken, gaat zij ervan uit dat conform de Leidraad aan belanghebbende uitstel van betaling is verleend. De A-G komt dan ook tot de slotsom dat de beperking van het recht om (vooraf) te worden gehoord in de onderhavige zaak geen onevenredige’ en onduldbare ingreep is die rechten in de kern aantast. Het verdedigingsbeginsel is volgens de A-G dan ook niet geschonden. Het tweede middel faalt. Ten aanzien van het oordeel van het Hof dat de provisiebedragen en de handling fees een voorwaarde voor de verkoop vormen en derhalve tot de transactiewaarde behoren, is de A-G van mening dat dit oordeel niet onvoldoende is gemotiveerd, niet onbegrijpelijk is en voorts is verweven met waarderingen van feitelijke aard. Het eerste middel faalt eveneens. Ook het derde middel kan volgens de A-G niet tot cassatie leiden. De Inspecteur had haars inziens de vrijheid om (alleen) belanghebbende voor de onderhavige douaneschuld aan te spreken en heeft door het (alleen) aanspreken van belanghebbende niet het evenredigheidsbeginsel geschonden. Met betrekking tot de vraag of op grond van artikel 220, lid 2, onder b, van het CDW van navordering van rechten moet worden afgezien, is de A-G van mening dat geen sprake is van een vergissing, waardoor de overige voorwaarden van dat artikel niet behoeven te worden getoetst. Ook het vierde middel faalt. A-G Van Hilten geeft de Hoge Raad in overweging om het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond te verklaren.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken