Conclusie A-G van Hilten 30 maart 2015, ECLI:NL:PHR:2015:354
Zowel Kamino International Logistics B.V. (hierna: Kamino) als Datema Hellman Worldwide Logistics B.V. (hierna: Datema) - hierna: belanghebbenden - zijn douane-expediteur. Elk van hen heeft in opdracht van [A] B.V. aangiften voor het vrije verkeer gedaan voor goederen die zijn omschreven als ‘paviljoens’ (Kamino) respectievelijk ‘tuinpaviljoens/partytenten (Datema). Belanghebbenden hebben deze goederen aangegeven onder post 6601 10 00 (‘tuinparasols en dergelijke artikelen’, tarief 4,7%) van de Gecombineerde Nomenclatuur (hierna: GN). Naar aanleiding van de resultaten van een onderzoek bij [A] B.V. heeft de Inspecteur zich op het standpunt gesteld dat de tuinpaviljoens en zijwanden moeten worden ingedeeld onder post 6306 99 00 van de GN (tarief 12,2%). De Inspecteur heeft de méér verschuldigde douanerechten van belanghebbenden nagevorderd. A-G Van Hilten neemt voor de tweede keer in deze zaken conclusie. In haar eerste conclusies gaf zij de Hoge Raad in overweging prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie (hierna: HvJ). Bij arresten van 22 februari 2013, nr. 10/02774, ECLI:NL:HR:2013:BR0666, BNB 2013/130 en nr. 10/02777, ECLI:NL:HR:2013:BR0671 (hierna: HR BNB 2013/130), stelde de Hoge Raad prejudiciële vragen. Bij arrest van 3 juli 2014, Kamino International Logistics B.V. en Datema Hellmann Worldwide Logistics B.V., gevoegde zaken C-129/13 en C-130/13, ECLI:EU:C:2014:2041 (hierna: arrest Kamino), heeft het HvJ deze vragen beantwoord. De beantwoording van deze vragen geeft de A-G aanleiding wederom te concluderen. Alvorens zij ingaat op het beginsel van ‘eerbiediging van de rechten van verdediging’ (hierna: verdedigingsbeginsel) merkt zij op dat de Hoge Raad in de arresten HR BNB 2013/130 al heeft geoordeeld dat het derde middel – dat gericht was tegen het oordeel van Hof Amsterdam inzake de indeling van de goederen – faalt. Voorts merkt zij op dat het in de onderhavige procedures gaat om het onder het verdedigingsbeginsel vallende recht van eenieder om te worden gehoord voordat jegens hem een besluit wordt genomen dat zijn belangen op nadelige wijze kan beïnvloeden. De A-G gaat allereerst in op (het antwoord op) de eerste prejudiciële vraag. Het lijkt haar duidelijk dat nu de navordering van de douanerechten is gebaseerd op rechtstreeks toepasselijk Unierecht - Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek - een ondernemer rechtstreeks een beroep kan doen op zijn recht te worden gehoord vóórdat jegens hem een bezwarend besluit wordt genomen, ook al voorziet de nationale wetgeving daarin niet. Vervolgens gaat de A-G in op de vraag of het recht om vooraf te worden gehoord kan worden gecompenseerd door (verplicht) horen in de bezwaarfase, dus nadat het bezwarende besluit is genomen. In de onderhavige zaken zijn belanghebbenden niet vooraf gehoord. Dit hoeft volgens de A-G niet te betekenen dat het verdedigingsbeginsel is geschonden. Uit het arrest Kamino leidt zij namelijk af dat horen voordat een bezwarend besluit wordt genomen het uitgangspunt is, maar dat denkbaar is dat voor het niet-vooraf horen een zodanige rechtvaardiging bestaat, dat (toch) geen sprake is van schending van het verdedigingsbeginsel. Een van de aspecten van de hier bedoelde rechtvaardiging is, zo leidt de A-G uit het arrest Kamino af, dat met de maatregel, in casu het niet-vooraf horen, een algemeen belang gediend is. De A-G constateert dat het HvJ in de onderhavige zaken het algemene belang dat met het afzien van vooraf-horen gediend zou zijn, ziet in de snelle inning van de eigen middelen. Uitgaande van het bestaan van een algemeen belang dat gediend is met ‘eerst heffen dan horen’ komt de A-G aan de vraag toe of het pas in de bezwaarfase horen, onevenredig c.q. onduldbaar is. Zij leidt uit het arrest Kamino af dat de (on)evenredigheid c.q. (on)duldbaarheid van het ‘eerst heffen dan horen’ afhangt van de vraag of de nadelige gevolgen van de uitnodiging tot betaling (hierna: utb) kunnen worden ‘gestuit’ en achteraf ongedaan kunnen worden gemaakt doordat de betaling kan worden uitgesteld in geval van bezwaar en de utb kan worden geschorst in afwachting van de uitkomsten van bezwaar en beroep volgens de nationale regels. Het HvJ laat het aan de Hoge Raad om te bepalen of de ministeriële circulaire – dit kan volgens de A-G alleen de Leidraad Invordering 1990 (hierna: de Leidraad) zijn –, op grond waarvan de uitvoering van de utb’s is opgeschort, van dien aard is dat gezegd kan worden dat op grond daarvan de opschorting van de uitvoering van de utb’s (tot eventuele herziening daarvan) effectief is. Uit de Leidraad volgt dat uitstel van betaling bij bezwaar – afgezien van in casu niet aan de orde zijnde bijzondere gevallen - automatisch wordt verleend. In aanmerking nemend dat de bezwaarfase ertoe kan leiden dat de utb’s geheel worden teruggedraaid, komt de A-G dan ook tot de slotsom dat de beperking van het recht om (vooraf) gehoord te worden 'geen ‘onevenredige en onduldbare ingreep’ is ‘die rechten in de kern aantast’ en dat het verdedigingsbeginsel in casu niet is geschonden. Het tweede middel faalt. Voor het geval de Hoge Raad daarover anders denkt, besteedt de A-G aandacht aan de gevolgen die volgens het HvJ verbonden moeten c.q. kunnen worden aan schending van het verdedigingsbeginsel. De A-G vindt het niet verrassend dat het HvJ van oordeel is dat de gevolgen van het schenden van dat beginsel bepaald worden door het nationale recht. Het is immers vaste jurisprudentie van het HvJ dat indien een kwestie niet in het Europese recht is geregeld, deze een aangelegenheid van het interne recht van de lidstaten is. Dat geldt (dus) evenzeer voor het verdedigingsbeginsel. Ten aanzien van het oordeel van het HvJ dat nietigverklaring van een besluit dat onder schending van het verdedigingsbeginsel is genomen, op grond van het Unierecht alleen aan de orde is wanneer de betrokken administratieve procedure zonder de ‘onregelmatigheid’ een andere afloop had kunnen hebben, plaatst de A-G wel vraagtekens. Zij vindt dat de vraag wanneer ‘de procedure’ ‘een andere afloop had kunnen hebben’, nog niet zo eenvoudig is te beantwoorden. Zij meent dat ‘de procedure’ waarvan het HvJ in deze context spreekt, op niets anders kan zien dan op de bezwaarprocedure. Het gaat er volgens de A-G niet om of de procedure uiteindelijk (bij de Hoge Raad) een andere afloop zou kunnen hebben gehad, maar of de beslissing het voornemen van de douane om een utb vast te stellen anders had kunnen uitpakken indien belanghebbenden vooraf hun standpunten kenbaar hadden kunnen maken. Zij meent dat het daarbij moet gaan om individuele omstandigheden die de douane niet anderszins had kunnen kennen. De uiteindelijke beoordeling daarvan ligt volgens de A-G bij de rechter. Met betrekking tot de onderhavige zaken komt de A-G tot de slotsom dat belanghebbenden in de voorfase geen extra (individuele) feiten en omstandigheden hadden kunnen aanvoeren die de beslissing van de douane anders had kunnen doen uitvallen. Dit betekent dat als het verdedigingsbeginsel in casu zou zijn geschonden, dit niet leidt tot vernietiging van de bestreden utb’s. Ten aanzien van het eerste middel, waarmee belanghebbenden betogen dat de utb’s onvoldoende zijn gemotiveerd, meent de A-G dat gesteld kan worden dat de kwestie, gezien de route die het HvJ bewandelt bij de invulling van het verdedigingsbeginsel in de zin van ‘eerste heffen dan horen’, éclairé is. Het eerste middel faalt. A-G Van Hilten geeft de Hoge Raad in overweging om de beroepen in cassatie van belanghebbenden ongegrond te verklaren.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- Hof Arnhem-Leeuwarden 3 februari 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:645
- HR 11 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1620
- HR 22 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BR0666
- HR 22 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BR0671
- Conclusie A-G VAN HILTEN 22 februari 2013, ECLI:NL:PHR:2013:BR0666
- Conclusie A-G VAN HILTEN 22 februari 2013, ECLI:NL:PHR:2013:BR0671
- HvJ EU, ECLI:EU:C:1990:125
- HvJ EU, ECLI:EU:C:1997:372
- HvJ EU, ECLI:EU:C:1999:548
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2000:537
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2001:10
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2001:14
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2003:533
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2006:408
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2007:167
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2008:746
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2011:844
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2013:105
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2013:250
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2013:533